|
MAHER ARAR.
Door Wietse Ratsma.
(6 november 2003)
De Verenigde Staten worden ervan
beschuldigd gevangenen die verdacht worden van samenwerking
met terroristen naar landen te sturen waar zogenaamde "andere
methoden" gebruikt worden om een bekentenis te verkrijgen.
Een medewerker bij de CIA verklaarde dat dit onder de Patriot
Act legaal is.
Hieronder volgt het relaas van Maher Arar,
een Canadese staatsburger, geboren in Syrië. Arar werd
in september 2002 in New York gearresteerd en door de instanties
in de Verenigde Staten gedeporteerd naar Syrië. Daar
werd hij gefolterd en gevangen gehouden in wat hij beschrijft
als 'een graf'. Het duurde bijna een jaar voor Arar zijn
vrijheid herkreeg.
Dit is een onverkorte vertaling
van de verklaring die hij op 4 november in Ottawa heeft
afgelegd en welke op het nationale nieuws van het Canadian
Broadcasting Corporation [1]
op 4 november 2003, werd medegedeeld.
Maher Arar's verklaring:
In september 2002 was ik met mijn
vrouw en kinderen en haar familie op vakantie in Tunis.
Daar ontving ik een e-mail van MathWorks
dat mij meedeelde dat zij mij spoedig nodig zouden hebben
voor een evaluatie van potentieel consultatiewerk voor een
van hun klanten. Ik zei gedag aan mijn vrouw en familie
en begon de reis naar huis om me voor te bereiden voor het
werk.
De beste vlucht die ik kon krijgen was
van Tunis naar Zürich en dan via New York naar Montreal.
Op 26 september om 's middags 2 uur arriveerde ik in New
York, waar ik een paar uur de tijd had voor mijn vlucht
naar Montreal.
Het is hier waar mijn nachtmerrie begon.
Bij de immigratie werd ik apart gezet en naar een ander
lokaal gebracht. Twee uur later werd mij verteld dat dit
een routineprocedure was. Ze namen vingerafdrukken en foto's
van mij. Daarna kwam er politie die mijn bagage onderzocht
en mijn Canadese paspoort kopieerde. Ik werd wat angstig
en vroeg wat er aan de hand was, maar ik kreeg geen antwoord.
Ik vroeg of ik mocht telefoneren, maar daarvoor kreeg ik
geen toestemming.
Toen kwamen er een aantal mensen die mij
vragen wilden stellen. Een persoon was van de FBI en een
andere van de New Yorkse politie. Ik was bang en wist niet
wat er gaande was. Ik zei dat ik een advocaat wilde hebben,
maar ze zeiden dat ik geen recht had op een advocaat omdat
ik geen Amerikaan was. Ze vroegen waar ik werkte en hoeveel
geld ik verdiende. Ze vloekten en beledigden mij. Het was
heel vernederend. Ze wilden dat ik iedere vraag snel beantwoorde.
Ze raadpleegden een rapport terwijl mij vragen werden gesteld
en de informatie die ze hadden was zo persoonlijk dat ik
dacht: dit komt uit Canada.
Ik vertelde alles wat ik wist. Ze informeerden
naar mijn reizen in de VS en ik vertelde van mijn werkvergunning
en mijn zakenbelangen daar. Ze vroegen of ik bereid was
mijn computerdata door hen te laten inspecteren. Ik gaf
toestemming, maar ik weet niet of ze het gedaan hebben.
Ze informeerden naar een aantal mensen,
sommigen die ik kende, maar de meeste niet. Ze vroegen naar
Abdullah Almalki en ik zei dat ik met zijn broer werkzaam
was bij technische firma's in Ottawa en dat de familie Almalki
ongeveer terzelfder tijd als mijn familie uit Syrië
was gekomen. Ik zei dat ik Abdullah niet goed kende, maar
hem een paar keer ontmoet had.
Ze waren erg onbeschaafd tegen mij en
schreeuwden dat ik een selectief geheugen had. Daarna toonden
ze mij een huurcontract uit 1997. Ik kon bijna niet geloven
dat ze dit hadden en was er geschokt door. Ze maakten duidelijk
dat Abdullah dit contract getekend had als getuige. Ik was
totaal vergeten dat, toen we in 1997 naar Ottawa verhuisd
waren, ik een getuige nodig had voor dit huurcontract en
omdat Abdullah's broer niet kon komen, had hij zijn broer
gestuurd. Maar zij dachten dat ik deze informatie verborg.
Ik had de waarheid verteld. Ik had niets te verbergen. Ik
had nog nooit een probleem gehad in de VS en kon niet geloven
wat er met mij gebeurde. Deze ondervraging ging tot middernacht
door. Ik maakte me grote zorgen en vroeg verschillende keren
om een advocaat, maar ze negeerden mij gewoon. Daarna zetten
ze mijn handen en voeten in de boeien en reden mij naar
een ander gebouw nabij het vliegveld. Daar werden nog veel
meer mensen vastgehouden. Ze wilden niet vertellen wat er
aan de hand was. Om 1 uur in de morgen zetten ze mij in
een kamer met metalen banken. Ik kon niet slapen. Ik was
heel erg bang en verward. De volgende morgen begonnen ze
mij weer te ondervragen. Ze vroegen hoe ik dacht over bin
Laden, Palestina en Irak. Ze vroegen in welke Moskeeën
ik bid, naar mijn bankrekening, mijn e-mailadressen, mijn
familie, van alles en nog wat.
Dit ging met onderbrekingen acht uur door.
Toen kwam er een man van de INS (immigratiedienst) die zei
dat ze wilden dat ik vrijwillig naar Syrië zou gaan.
Ik zei: "Beslist niet!" Ik zei dat ik naar huis
wilde in Canada of dat ze me anders naar Zwitserland terug
moesten sturen. Toen zei hij: "We hebben speciale belangstelling
voor jou". Ze vroegen mij een formulier te tekenen.
Ze lieten me het niet lezen, maar ik tekende het toch maar.
Ik was uitgeput, in de war en gedesoriënteerd. Ik had
niet geslapen en niets te eten gehad sinds ik in het vliegtuig
zat. Om ongeveer 6 uur 's avonds brachten ze mij een koude
maal van McDonalds. Dat was het eerste wat ik at sinds het
vliegtuigmaal.
Om en nabij 8 uur deden ze al de boeien
weer aan, zetten mij in een bestelwagen en reden mij naar
een gevangenis. Later kwam ik er achter dat dit het Metropolitan
Detention Center was. Niemand zei wat er ging gebeuren of
waar ik naar toe ging. Ik werd tot naakt toe gefouilleerd.
Het was vernederend. Ze deden mij een oranje pak aan en
namen me mee naar een dokter waar ik weer formulieren moest
tekenen. Ook kreeg ik een vaccinatie. Ik vroeg wat het was,
maar kreeg geen antwoord. Mijn arm was bijna twee weken
rood van die prik.
Daarna werd ik in een cel gezet. Ik ben
nooit tevoren in een gevangenis geweest en was doodsbang.
Nogmaals vroeg ik om een telefoon en een advocaat, maar
ze negeerden mij. Ik werd anders behandeld dan de andere
gevangenen. Ze gaven mij geen tandenborstel en tandpasta
en ook geen leesmateriaal. Echter, na twee dagen kreeg ik
een kopie van de Koran.
Na vijf dagen kreeg ik toestemming om
te telefoneren. Ik belde Monia's moeder in Ottawa en vertelde
dat ik bang was dat ze mij naar Syrië zouden sturen
en vroeg haar een advocaat voor mij te vinden. Ze lieten
me maar voor twee minuten met haar praten.
Op de zevende of achtste dag brachten
ze mij een document dat zei dat ik gedeporteerd zou worden
en dat ik een keuze had waar naar toe. Ik schreef dat ik
naar Canada wilde. Er werd gevraagd of ik bezorgd was naar
Canada te gaan en ik schreef "nee" en tekende
het document. De Canadese consul kwam op 4 oktober en ik
vertelde haar dat ik bang was naar Syrië gestuurd te
worden. Ze zei dat dit niet zou gebeuren. Ze zei dat een
advocaat voor mij geregeld zou worden. Ik was zo van streek
en bang, dat ik nauwelijks kon praten.
De volgende dag kwam er een advocaat.
Die zei dat ik geen enkel document moest tekenen tenzij
zij erbij was. We hadden slechts een half uur. Ze zou proberen
mij te helpen. Dat was op een zaterdag. Op zondagavond om
9 uur kwamen bewakers naar mijn cel en zeiden dat mijn advocaat
er weer was. Het leek mij een eigenaardige tijd voor een
bezoek, maar zij namen mij mee naar een zaal waarin nog
zeven of acht andere mensen waren. Ik vroeg waar mijn advocaat
was. Ze zeiden dat die geweigerd had te komen en begonnen
mij weer vragen te stellen. Ze vroegen waarom ik niet naar
Syrië terug wilde. Ik vertelde dat ik daar gemarteld
zou worden. Ik zei dat ik daar mijn militaire dienst niet
had volbracht, ik ben een Sunni Moslim en een neef van mijn
moeder was beschuldigd lid te zijn van de Moslim Brotherhood
en werd negen jaar gevangen gezet.
Ze vroegen mij een document te tekenen,
maar ik weigerde. Ik zei: "Jullie kunnen mij niet naar
Syrie sturen want daar word ik gemarteld". Ik vroeg
nogmaals om mijn advocaat. Om 3 uur die morgen brachten
ze mij weer naar mijn cel. Dinsdag 8 oktober om 3 uur in
de ochtend maakte een bewaker mij wakker en zei dat ik weg
zou gaan. In een andere kamer werd ik weer naakt gefouilleerd
en daarna aan handen en voeten geboeid. Twee ambtenaren
lazen mij voor wat het besluit van de directeur van het
INS was.
Gebaseerd op geheime informatie dat niet
aan mij vermeld kon worden, verklaarden ze dat ik naar Syrië
gedeporteerd zou worden. Ik zei nogmaals dat ik daar gefolterd
zou worden. Daarna lazen zij een deel van het document voor
waarin stond dat het INS niet de organisatie was die met
de Conventie van Genève te doen heeft voor wat betreft
foltering. Daarna reden we in een auto naar een vliegveld
in New Jersey. Ik werd in een kleine privé-jet gezet.
De bewakers en ik waren de enige personen in dit vliegtuig.
Ik was nog steeds geboeid. Eerst vlogen we naar Washington,
waar een nieuwe groep mensen het van mijn bewakers overnam.
Terwijl zij telefoneerden hoorde ik dat Syrië geweigerd
had mij direct over te nemen, maar dat Jordanië daartoe
wel bereid was.
We vlogen naar Portland, Rome en verder
naar Amman, Jordanië. Al die tijd moest ik denken hoe
ik aan martelingen kon ontkomen. Ik was doodsbenauwd. Op
9 oktober om 3 uur in de morgen landden we in Amman. Zes
of zeven Jordaanse mannen wachtten ons op. Ik werd geblinddoekt
en geboeid en in een bestelwagen gezet. Ik moest voorovergebogen
met mijn hoofd naar beneden op de achterbank zitten. Daarna
werd ik geslagen. Iedere keer als ik iets wilde zeggen werd
ik geslagen. In de eerste minuten was er veel spanning.
Na een half uur kwamen we bij een gebouw
waar ze mijn blinddoek afdeden en een aantal routinevragen
stelden, daarna stopten ze mij in een cel. Het was toen
ongeveer half vijf in de morgen van 9 oktober. Later die
dag namen ze mijn vingerafdrukken, blinddoekten mij en zetten
mij in een auto. Ik vroeg waar we heengingen en ze zeiden
dat ik terug naar Montreal ging.
Drie kwartier later werd ik in een andere
auto gezet. Deze mensen begonnen mij weer te slaan. Ik moest
mijn hoofd omlaag houden, wat erg ongemakkelijk was. Maar
iedere keer als ik me bewoog sloegen ze mij weer. Meer dan
een uur later arriveerden we aan wat ik denk de grens met
Syrië was. Ik werd weer in een andere auto gezet en
we reden nog eens drie uur. Ik werd een gebouw binnengeleid
waar de bewakers mijn bagage inspecteerden en wat chocola
eruit haalden dat ik in Zürich gekocht had.
Ik vroeg aan een van de mensen waar ik
was en hij zei dat ik bij de Palestijnse Afdeling van de
Syrische militaire dienst was. Het was nu 6 uur in de avond
van 9 oktober. Drie mannen namen mij naar een kamer, zetten
mij op een stoel en een van hen begon vragen te stellen.
Ik was erg bang. Later kwam ik er achter dat deze man een
kolonel was. Hij vroeg naar mijn broers en waarom wij Syrië
hadden verlaten. Ik beantwoordde al de vragen. Als ik niet
vlug genoeg naar zijn zin antwoord gaf, wees hij naar een
metalen stoel in een hoek en vroeg: "Wil je dat ik
die gebruik?" Ik wist toen nog niet waar die stoel
voor diende. Later leerde ik dat hij gebruikt werd om mensen
te martelen. Ik vroeg hem wat hij wilde horen. Ik was doodsbang
en wilde niet gemarteld worden. Ik was bereid van alles
te zeggen om het martelen te voorkomen. Dit duurde vier
lange uren. Op deze dag werd geen geweld gebruikt, alleen
dreigementen. Om 1 uur in de morgen kwamen de bewakers om
mij naar mijn cel te brengen.
Wij gingen een kelder in waar ze een deur
openden en ik keek naar binnen. Ik kon niet geloven wat
ik zag. Ik vroeg tot hoelang ik hierin gehouden zou worden,
maar hij gaf geen antwoord en sloot de deur achter mij.
Het was als een graf. Er was geen licht. Het was een meter
breed, twee meter lang en ongeveer 1,35 meter hoog. Er was
een metalen deur met een opening waar geen licht doorkwam,
omdat er aan de buitenkant een metalen klep voor zat. In
het plafond was een kleine opening van ongeveer 35 bij 65
cm met ijzeren staven. Daarboven was nog een tweede plafond
zodat slechts een klein beetje licht door de opening scheen.
Tussen de plafonds zaten katten en ratten en van tijd tot
tijd piesten de katten door de opening in de cel. Er waren
twee dekens, twee borden en twee flessen. De ene fles was
voor water en de andere voor urineren gedurende de nacht.
Verder niets. Geen elektrisch licht.
IK HEB TIEN MAANDEN EN TIEN DAGEN IN DAT
GRAF DOORGEBRACHT.
De volgende dag werd ik weer naar boven
gehaald. Ik kreeg die dag een pak slaag en de spanning was
de eerste week heel hoog en iets minder hoog in de tweede
week. De tweede en derde dag waren het ergste. Andere gevangen,
die gemarteld werden, hoorde ik schreeuwen, alsmaar schreeuwen.
De ondervragingen werden gehouden in verschillende
kamers. Een bepaalde taktiek die ze gebruikten was gevangenen
twee uur lang ondervragen en hen daarna in een wachtkamer
zetten waar je anderen kon horen schreeuwen. Daarna werd
je weer naar binnen gebracht en verder ondervraagd.
De kabel is een zwarte elektrische kabel
van ongeveer vijf centimeter dik. Daarmee sloegen ze mij
over m'n hele lichaam. Meestal op de palmen van mijn handen,
maar soms misten ze en sloegen op mijn polsen. Die waren
daarna rood en ongeveer drie weken pijnlijk. Ook sloegen
ze mij op mijn heupen en mijn rug. Ze bedreigden me aldoor
met de metalen stoel, een band en elektrische schokken.
De band wordt gebruikt om gevangenen te
bedwingen tijdens martelingen waarbij je op de zolen van
je voeten wordt geslagen. Ik had geluk want ik werd alleen
bedreigd toen ik in de band zat en niet geslagen. Op de
tweede en derde dag gebruikten zij de kabel, maar daarna
werd ik met handen in m'n buik gestompt en in mijn nek en
mijn gezicht geslagen. Twee tot drie weken kleurde mijn
huid blauw waar ze mij met de kabel hadden geslagen, maar
er was geen bloed. Aan het eind van de dag zeiden ze: "Morgen
zal erger worden". Daar kon ik niet van slapen.
Op de derde dag duurde de ondervraging
wel 18 uur. Van tijd tot tijd werd ik geslagen en een of
twee uur moest ik de wachtkamer in vanwaar ik veel mensen
hoorde schreeuwen. Ze wilden dat ik zei dat ik naar Afghanistan
was geweest. Dat was een verassing voor mij want in de VS
hadden ze dit niet gevraagd.
Ze bleven mij maar slaan en uiteindelijk
gaf ik een valse verklaring dat ik in Afghanistan geweest
was. Ik was bereid om alles te zeggen wat ze wilden horen
als ze maar ophielden mij af te ranselen. Ze wilden dat
ik bekende naar een trainingskamp te zijn geweest. Ik had
het zo benauwd, ik deed het tot tweemaal in mijn broek.
Daarna sloegen ze mij minder vaak.
Aan het eind van iedere dag zeiden ze
altijd "morgen zal het voor jou erger zijn" en
daarom kon ik telkens niet slapen. Vier dagen sliep ik helemaal
niet en daarna ongeveer een maand lang niet meer dan twee
uur per nacht. Meestal werd ik niet naar mijn cel teruggebracht
maar naar de wachtkamer waar ik de gevangenen kon horen
schreeuwen die gemarteld werden. Een keer hoorde ik hen
iemands hoofd heel hard tegen een bureau slaan. Na 17 oktober
werd het martelen minder.
Hun volgende taktiek was om mij geblinddoekt
in een kamer te zetten terwijl mensen over mij praatten.
Ik hoorde hen zeggen: "Hij kent veel mensen die terroristen
zijn, we zullen uitvinden wie; hij is een leugenaar, hij
is lang in het buitenland geweest." Dan zeiden ze:
"Laat ons openlijk wezen, laten we vrienden zijn en
vertel ons de waarheid." En dan kwamen ze van achter
het bureau en gaven mij een klap in m'n gezicht. Ze speelden
veel psychologische spelletjes. Drie dagen voordat ik mijn
eerste bezoek kreeg, van het (Canadese) consulaat op 23
oktober, hielden de ondervragingen en het slaan op.
Ik werd uit mijn cel gehaald en geschoren.
Ik werd naar een ander gebouw geleid en daar was de kolonel
met wat andere mensen en zij leken allemaal nogal nerveus
en geagiteerd te zijn. Ik wist niet wat er gaande was en
ze vertelden het mij niet. Ze vertelden nooit wat er ging
gebeuren. Ik kreeg instructies niets te zeggen over het
martelen. Daarna werd ik een kamer binnengebracht voor een
gesprek van tien minuten met de consul. De kolonel was erbij
en verder nog drie andere Syrische ambtenaren en een tolk.
Ik huilde veel gedurende dat gesprek. Ik kon niets zeggen
over het martelen. Ik dacht: als ik dat doe dan blijft het
bij dit ene bezoek en beginnen de martelingen weer opnieuw.
Na het bezoek, dat ongeveer een maand
na mijn aankomst plaatsvond, werd ik geroepen om mijn handtekening
en duimafdruk te zetten op een document van ongeveer zeven
pagina's. Ik mocht het niet lezen, maar ik moest mijn handtekening
en duimafdruk op iedere pagina zetten. Het was een met de
hand geschreven document.
Nog een ander document van drie pagina's
bevatte een aantal vragen: Wie zijn je vrienden? Hoe lang
ben je al in het buitenland? Op de laatste vraag stonden
lege lijnen. Zij vulden de antwoorden in. Behalve bij de
laatste vraag, waar ik zelf moest neerzetten dat ik in Afghanistan
geweest was.
De consulaire bezoeken waren als een reddingslijn
voor mij, maar ik vond ze ook heel ergerlijk. Ik kreeg zeven
consulaire bezoeken en een bezoek van parlementsleden. Na
zo'n bezoek sloeg ik mijn hoofd tegen de tafel van ergernis.
Ik had die bezoeken broodnodig, maar ik kon hen niets vertellen.
Ik kreeg nieuwe kleren na het consulaire
bezoek van 10 december. Tot dan toe droeg ik dezelfde kleren
die ik in het vliegtuig uit de VS aan had.
In december had ik drie maal een heel
moeilijke tijd. Allerlei herinneringen zwierven door mijn
hoofd en ik werd er gek van en gilde het uit. Daarna kon
ik niet goed ademen en voelde me duizelig.
Zes maanden lang heb ik geen zonlicht
gezien. De enige keren dat ik uit het graf mocht was voor
ondervragingen en voor de bezoeken. Het dagelijks leven
daar was een hel. Toen ik in New York aangehouden werd woog
ik 82 kilo. Ik denk dat ik zo'n 18 kilo minder woog toen
ik in de Palestijnse Afdeling verbleef.
Op 19 augustus 2003 werd ik weer naar
boven gehaald en naar een onderzoeker gebracht. Ik kreeg
een blad papier en moest neerschrijven wat hij mij dicteerde.
Als ik protesteerde gaf hij mij een schop. Ik werd gedwongen
te schrijven dat ik in een trainingskamp in Afghanistan
was geweest. Ik moest het tekenen en mijn duimafdruk erop
zetten. Dezelfde dag werd ik overgeplaatst. Later leerde
ik dat dit de Onderzoek Afdeling was. Ik kwam in een collectieve
cel terecht van ongeveer 4 bij 7 meter. Er waren zo'n 50
mensen in die cel. De volgende dag werd ik naar de Sednaya
gevangenis gebracht. Gelukkig werd ik daar niet gemarteld,
maar andere gevangenen wel bij hun aankomst.
De Sednaya gevangenis was als de hemel
voor mij. Ik kon rondlopen en met andere gevangenen praten.
Ook kon ik daar eten kopen en bracht mijn gewicht weer op
peil. Slechts eenmaal werd ik daar gemarteld.
Op 19 of 20 september hoorde ik van andere
gevangenen dat nog een andere Canadees gearriveerd was.
Ik keek op en zag een man, maar ik herkende hem niet. Zijn
hoofd was kaalgeschoren en hij was heel erg mager en bleek.
Hij was erg zwak. Toen ik nog eens wat beter naar hem keek
herkende ik hem. Het was Abdullah Almalki. Hij vertelde
mij dat ook hij in de Palestijnse Afdeling had gezeten en
dat hij ook in zo'n graf had geleefd, alleen nog langer
dan ik. Hij was heel veel gemarteld met de band en de kabel.
Ze hadden hem ook aan z'n benen opgehangen. Hij was veel
meer gemarteld dan ik, ook in de Sednaya gevangenis waar
hij twee weken geleden aangekomen was.
Ik weet niet waarom ze Abdullah daar gevangen
houden. Wat ik wel met zekerheid weet is, dat geen enkel
mens in de wereld het verdient zo behandeld te worden als
hij en ik hoop dat Canada alles in het werk zal stellen
hem te helpen.
Op 28 september werd ik weggehaald, geblinddoekt
en, volgens mij in een bus, vervoerd naar de Palestijnse
Afdeling. Ze wilden mij niet laten weten wat er ging gebeuren
en ik was bang dat ik weer in het graf opgesloten zou worden.
Maar ik werd in een van de wachtkamers gehouden waar ze
mensen martelen. Ik kon de gevangenen weer horen schreeuwen.
Diezelfde dag werd ik naar een kantoor
gebracht waar ik weer vragen moest beantwoorden, onder andere
wat ik zou zeggen als ik terug naar Canada gestuurd zou
worden. Ze zeiden niet dat ik vrijgelaten werd.
Ik werd teruggebracht naar de wachtkamer
waar ik een hele week verbleef, luisterend naar het geschreeuw
van de gevangenen die gemarteld werden. Het was verschrikkelijk.
Op zondag 5 oktober brachten ze mij in
een auto naar een rechtbank. Ik kwam in een kamer terecht
met een aanklager. Ik vroeg om een advocaat, maar hij zei
dat ik er geen nodig had. Ik vroeg wat er moest gebeuren
en hij las mij mijn bekentenis voor. Ik probeerde te argumenteren
dat ik gemarteld was en niet in Afghanistan was geweest,
maar hij luisterde niet. Ook zei hij niet waarvoor ik aangeklaagd
was, maar zei dat ik mijn vingerafdruk en handtekening op
het document moest zetten, zonder het te lezen. Daarna zei
hij dat ik vrijgelaten zou worden.
Ik werd weer teruggebracht naar de Palestijnse
Afdeling waar ik het hoofd van de Syrische Militaire Geheime
Dienst ontmoette en vertegenwoordigers van de Canadese ambassade.
Toen werd ik vrijgelaten.
Ik wil eindigen met alle mensen te bedanken
die voor mijn vrijheid gewerkt hebben, speciaal mijn vrouw
Monia en de mensenrechtenorganisaties, al de mensen die
brieven geschreven hebben en de parlementsleden die opstonden
voor gerechtigheid. En natuurlijk bedank ik ook al de journalisten
die mijn verhaal vermeld hebben.
Het laatste jaar is voor mij een enorme
nachtmerrie geweest en ik heb de laatste weken thuis doorgebracht
om proberen te leven met wat er met mij gebeurd is. Ik weet
dat de enige manier waarop ik verder zal kunnen leven en
een toekomst opbouwen, is als ik uitvind hoe en waarom dit
alles met mij gebeurd is. Ik moet weten waarom dit gebeurd
is. Ik geloof dat de enige manier waarop ik dit te weten
kan komen, is door de hele waarheid te openbaren in een
hoorzitting.
Mijn prioriteit op dit moment is om mijn
naam te zuiveren, om alles uit te vinden zodat dit in de
toekomst nooit een andere Canadees zal overkomen. Ik geloof
dat de beste manier waarop dit kan geschieden, is dat de
Canadese regering een hoorzitting insteld. Wat er hier op
het spel staat is de toekomst van ons land, de belangen
van de Canadese mensen, en misschien het belangrijkste,
de internationale reputatie van Canada als een leider in
de strijd voor mensenrechten en waar mensen van verschillende
ethnische achtergronden op gelijke voet kunnen leven.
Dank u voor uw aandacht.
[1] CBC-artikel.
|