Smash Fascism! DeWaarheid.nu
VOLKSEDITIE VOOR NEDERLAND
Fax/Voice mail/XOIP-nummer: 084 8333788
VCP.nu

HOME

Maher Arar.
Maher Arar.
MAHER ARAR.

Door Wietse Ratsma.
(6 november 2003)

De Verenigde Staten worden ervan beschuldigd gevangenen die verdacht worden van samenwerking met terroristen naar landen te sturen waar zogenaamde "andere methoden" gebruikt worden om een bekentenis te verkrijgen. Een medewerker bij de CIA verklaarde dat dit onder de Patriot Act legaal is.

Hieronder volgt het relaas van Maher Arar, een Canadese staatsburger, geboren in Syrië. Arar werd in september 2002 in New York gearresteerd en door de instanties in de Verenigde Staten gedeporteerd naar Syrië. Daar werd hij gefolterd en gevangen gehouden in wat hij beschrijft als 'een graf'. Het duurde bijna een jaar voor Arar zijn vrijheid herkreeg.

Dit is een onverkorte vertaling van de verklaring die hij op 4 november in Ottawa heeft afgelegd en welke op het nationale nieuws van het Canadian Broadcasting Corporation [1] op 4 november 2003, werd medegedeeld.

Maher Arar's verklaring:

In september 2002 was ik met mijn vrouw en kinderen en haar familie op vakantie in Tunis. Daar ontving ik een e-mail van MathWorks dat mij meedeelde dat zij mij spoedig nodig zouden hebben voor een evaluatie van potentieel consultatiewerk voor een van hun klanten. Ik zei gedag aan mijn vrouw en familie en begon de reis naar huis om me voor te bereiden voor het werk.

De beste vlucht die ik kon krijgen was van Tunis naar Zürich en dan via New York naar Montreal. Op 26 september om 's middags 2 uur arriveerde ik in New York, waar ik een paar uur de tijd had voor mijn vlucht naar Montreal.

Het is hier waar mijn nachtmerrie begon. Bij de immigratie werd ik apart gezet en naar een ander lokaal gebracht. Twee uur later werd mij verteld dat dit een routineprocedure was. Ze namen vingerafdrukken en foto's van mij. Daarna kwam er politie die mijn bagage onderzocht en mijn Canadese paspoort kopieerde. Ik werd wat angstig en vroeg wat er aan de hand was, maar ik kreeg geen antwoord. Ik vroeg of ik mocht telefoneren, maar daarvoor kreeg ik geen toestemming.

Toen kwamen er een aantal mensen die mij vragen wilden stellen. Een persoon was van de FBI en een andere van de New Yorkse politie. Ik was bang en wist niet wat er gaande was. Ik zei dat ik een advocaat wilde hebben, maar ze zeiden dat ik geen recht had op een advocaat omdat ik geen Amerikaan was. Ze vroegen waar ik werkte en hoeveel geld ik verdiende. Ze vloekten en beledigden mij. Het was heel vernederend. Ze wilden dat ik iedere vraag snel beantwoorde. Ze raadpleegden een rapport terwijl mij vragen werden gesteld en de informatie die ze hadden was zo persoonlijk dat ik dacht: dit komt uit Canada.

Ik vertelde alles wat ik wist. Ze informeerden naar mijn reizen in de VS en ik vertelde van mijn werkvergunning en mijn zakenbelangen daar. Ze vroegen of ik bereid was mijn computerdata door hen te laten inspecteren. Ik gaf toestemming, maar ik weet niet of ze het gedaan hebben.

Ze informeerden naar een aantal mensen, sommigen die ik kende, maar de meeste niet. Ze vroegen naar Abdullah Almalki en ik zei dat ik met zijn broer werkzaam was bij technische firma's in Ottawa en dat de familie Almalki ongeveer terzelfder tijd als mijn familie uit Syrië was gekomen. Ik zei dat ik Abdullah niet goed kende, maar hem een paar keer ontmoet had.

Ze waren erg onbeschaafd tegen mij en schreeuwden dat ik een selectief geheugen had. Daarna toonden ze mij een huurcontract uit 1997. Ik kon bijna niet geloven dat ze dit hadden en was er geschokt door. Ze maakten duidelijk dat Abdullah dit contract getekend had als getuige. Ik was totaal vergeten dat, toen we in 1997 naar Ottawa verhuisd waren, ik een getuige nodig had voor dit huurcontract en omdat Abdullah's broer niet kon komen, had hij zijn broer gestuurd. Maar zij dachten dat ik deze informatie verborg. Ik had de waarheid verteld. Ik had niets te verbergen. Ik had nog nooit een probleem gehad in de VS en kon niet geloven wat er met mij gebeurde. Deze ondervraging ging tot middernacht door. Ik maakte me grote zorgen en vroeg verschillende keren om een advocaat, maar ze negeerden mij gewoon. Daarna zetten ze mijn handen en voeten in de boeien en reden mij naar een ander gebouw nabij het vliegveld. Daar werden nog veel meer mensen vastgehouden. Ze wilden niet vertellen wat er aan de hand was. Om 1 uur in de morgen zetten ze mij in een kamer met metalen banken. Ik kon niet slapen. Ik was heel erg bang en verward. De volgende morgen begonnen ze mij weer te ondervragen. Ze vroegen hoe ik dacht over bin Laden, Palestina en Irak. Ze vroegen in welke Moskeeën ik bid, naar mijn bankrekening, mijn e-mailadressen, mijn familie, van alles en nog wat.

Dit ging met onderbrekingen acht uur door. Toen kwam er een man van de INS (immigratiedienst) die zei dat ze wilden dat ik vrijwillig naar Syrië zou gaan. Ik zei: "Beslist niet!" Ik zei dat ik naar huis wilde in Canada of dat ze me anders naar Zwitserland terug moesten sturen. Toen zei hij: "We hebben speciale belangstelling voor jou". Ze vroegen mij een formulier te tekenen. Ze lieten me het niet lezen, maar ik tekende het toch maar. Ik was uitgeput, in de war en gedesoriënteerd. Ik had niet geslapen en niets te eten gehad sinds ik in het vliegtuig zat. Om ongeveer 6 uur 's avonds brachten ze mij een koude maal van McDonalds. Dat was het eerste wat ik at sinds het vliegtuigmaal.

Om en nabij 8 uur deden ze al de boeien weer aan, zetten mij in een bestelwagen en reden mij naar een gevangenis. Later kwam ik er achter dat dit het Metropolitan Detention Center was. Niemand zei wat er ging gebeuren of waar ik naar toe ging. Ik werd tot naakt toe gefouilleerd. Het was vernederend. Ze deden mij een oranje pak aan en namen me mee naar een dokter waar ik weer formulieren moest tekenen. Ook kreeg ik een vaccinatie. Ik vroeg wat het was, maar kreeg geen antwoord. Mijn arm was bijna twee weken rood van die prik.

Daarna werd ik in een cel gezet. Ik ben nooit tevoren in een gevangenis geweest en was doodsbang. Nogmaals vroeg ik om een telefoon en een advocaat, maar ze negeerden mij. Ik werd anders behandeld dan de andere gevangenen. Ze gaven mij geen tandenborstel en tandpasta en ook geen leesmateriaal. Echter, na twee dagen kreeg ik een kopie van de Koran.

Na vijf dagen kreeg ik toestemming om te telefoneren. Ik belde Monia's moeder in Ottawa en vertelde dat ik bang was dat ze mij naar Syrië zouden sturen en vroeg haar een advocaat voor mij te vinden. Ze lieten me maar voor twee minuten met haar praten.

Op de zevende of achtste dag brachten ze mij een document dat zei dat ik gedeporteerd zou worden en dat ik een keuze had waar naar toe. Ik schreef dat ik naar Canada wilde. Er werd gevraagd of ik bezorgd was naar Canada te gaan en ik schreef "nee" en tekende het document. De Canadese consul kwam op 4 oktober en ik vertelde haar dat ik bang was naar Syrië gestuurd te worden. Ze zei dat dit niet zou gebeuren. Ze zei dat een advocaat voor mij geregeld zou worden. Ik was zo van streek en bang, dat ik nauwelijks kon praten.

De volgende dag kwam er een advocaat. Die zei dat ik geen enkel document moest tekenen tenzij zij erbij was. We hadden slechts een half uur. Ze zou proberen mij te helpen. Dat was op een zaterdag. Op zondagavond om 9 uur kwamen bewakers naar mijn cel en zeiden dat mijn advocaat er weer was. Het leek mij een eigenaardige tijd voor een bezoek, maar zij namen mij mee naar een zaal waarin nog zeven of acht andere mensen waren. Ik vroeg waar mijn advocaat was. Ze zeiden dat die geweigerd had te komen en begonnen mij weer vragen te stellen. Ze vroegen waarom ik niet naar Syrië terug wilde. Ik vertelde dat ik daar gemarteld zou worden. Ik zei dat ik daar mijn militaire dienst niet had volbracht, ik ben een Sunni Moslim en een neef van mijn moeder was beschuldigd lid te zijn van de Moslim Brotherhood en werd negen jaar gevangen gezet.

Ze vroegen mij een document te tekenen, maar ik weigerde. Ik zei: "Jullie kunnen mij niet naar Syrie sturen want daar word ik gemarteld". Ik vroeg nogmaals om mijn advocaat. Om 3 uur die morgen brachten ze mij weer naar mijn cel. Dinsdag 8 oktober om 3 uur in de ochtend maakte een bewaker mij wakker en zei dat ik weg zou gaan. In een andere kamer werd ik weer naakt gefouilleerd en daarna aan handen en voeten geboeid. Twee ambtenaren lazen mij voor wat het besluit van de directeur van het INS was.

Gebaseerd op geheime informatie dat niet aan mij vermeld kon worden, verklaarden ze dat ik naar Syrië gedeporteerd zou worden. Ik zei nogmaals dat ik daar gefolterd zou worden. Daarna lazen zij een deel van het document voor waarin stond dat het INS niet de organisatie was die met de Conventie van Genève te doen heeft voor wat betreft foltering. Daarna reden we in een auto naar een vliegveld in New Jersey. Ik werd in een kleine privé-jet gezet. De bewakers en ik waren de enige personen in dit vliegtuig. Ik was nog steeds geboeid. Eerst vlogen we naar Washington, waar een nieuwe groep mensen het van mijn bewakers overnam. Terwijl zij telefoneerden hoorde ik dat Syrië geweigerd had mij direct over te nemen, maar dat Jordanië daartoe wel bereid was.

We vlogen naar Portland, Rome en verder naar Amman, Jordanië. Al die tijd moest ik denken hoe ik aan martelingen kon ontkomen. Ik was doodsbenauwd. Op 9 oktober om 3 uur in de morgen landden we in Amman. Zes of zeven Jordaanse mannen wachtten ons op. Ik werd geblinddoekt en geboeid en in een bestelwagen gezet. Ik moest voorovergebogen met mijn hoofd naar beneden op de achterbank zitten. Daarna werd ik geslagen. Iedere keer als ik iets wilde zeggen werd ik geslagen. In de eerste minuten was er veel spanning.

Na een half uur kwamen we bij een gebouw waar ze mijn blinddoek afdeden en een aantal routinevragen stelden, daarna stopten ze mij in een cel. Het was toen ongeveer half vijf in de morgen van 9 oktober. Later die dag namen ze mijn vingerafdrukken, blinddoekten mij en zetten mij in een auto. Ik vroeg waar we heengingen en ze zeiden dat ik terug naar Montreal ging.

Drie kwartier later werd ik in een andere auto gezet. Deze mensen begonnen mij weer te slaan. Ik moest mijn hoofd omlaag houden, wat erg ongemakkelijk was. Maar iedere keer als ik me bewoog sloegen ze mij weer. Meer dan een uur later arriveerden we aan wat ik denk de grens met Syrië was. Ik werd weer in een andere auto gezet en we reden nog eens drie uur. Ik werd een gebouw binnengeleid waar de bewakers mijn bagage inspecteerden en wat chocola eruit haalden dat ik in Zürich gekocht had.

Ik vroeg aan een van de mensen waar ik was en hij zei dat ik bij de Palestijnse Afdeling van de Syrische militaire dienst was. Het was nu 6 uur in de avond van 9 oktober. Drie mannen namen mij naar een kamer, zetten mij op een stoel en een van hen begon vragen te stellen. Ik was erg bang. Later kwam ik er achter dat deze man een kolonel was. Hij vroeg naar mijn broers en waarom wij Syrië hadden verlaten. Ik beantwoordde al de vragen. Als ik niet vlug genoeg naar zijn zin antwoord gaf, wees hij naar een metalen stoel in een hoek en vroeg: "Wil je dat ik die gebruik?" Ik wist toen nog niet waar die stoel voor diende. Later leerde ik dat hij gebruikt werd om mensen te martelen. Ik vroeg hem wat hij wilde horen. Ik was doodsbang en wilde niet gemarteld worden. Ik was bereid van alles te zeggen om het martelen te voorkomen. Dit duurde vier lange uren. Op deze dag werd geen geweld gebruikt, alleen dreigementen. Om 1 uur in de morgen kwamen de bewakers om mij naar mijn cel te brengen.

Wij gingen een kelder in waar ze een deur openden en ik keek naar binnen. Ik kon niet geloven wat ik zag. Ik vroeg tot hoelang ik hierin gehouden zou worden, maar hij gaf geen antwoord en sloot de deur achter mij. Het was als een graf. Er was geen licht. Het was een meter breed, twee meter lang en ongeveer 1,35 meter hoog. Er was een metalen deur met een opening waar geen licht doorkwam, omdat er aan de buitenkant een metalen klep voor zat. In het plafond was een kleine opening van ongeveer 35 bij 65 cm met ijzeren staven. Daarboven was nog een tweede plafond zodat slechts een klein beetje licht door de opening scheen. Tussen de plafonds zaten katten en ratten en van tijd tot tijd piesten de katten door de opening in de cel. Er waren twee dekens, twee borden en twee flessen. De ene fles was voor water en de andere voor urineren gedurende de nacht. Verder niets. Geen elektrisch licht.

IK HEB TIEN MAANDEN EN TIEN DAGEN IN DAT GRAF DOORGEBRACHT.

De volgende dag werd ik weer naar boven gehaald. Ik kreeg die dag een pak slaag en de spanning was de eerste week heel hoog en iets minder hoog in de tweede week. De tweede en derde dag waren het ergste. Andere gevangen, die gemarteld werden, hoorde ik schreeuwen, alsmaar schreeuwen.

De ondervragingen werden gehouden in verschillende kamers. Een bepaalde taktiek die ze gebruikten was gevangenen twee uur lang ondervragen en hen daarna in een wachtkamer zetten waar je anderen kon horen schreeuwen. Daarna werd je weer naar binnen gebracht en verder ondervraagd.

De kabel is een zwarte elektrische kabel van ongeveer vijf centimeter dik. Daarmee sloegen ze mij over m'n hele lichaam. Meestal op de palmen van mijn handen, maar soms misten ze en sloegen op mijn polsen. Die waren daarna rood en ongeveer drie weken pijnlijk. Ook sloegen ze mij op mijn heupen en mijn rug. Ze bedreigden me aldoor met de metalen stoel, een band en elektrische schokken.

De band wordt gebruikt om gevangenen te bedwingen tijdens martelingen waarbij je op de zolen van je voeten wordt geslagen. Ik had geluk want ik werd alleen bedreigd toen ik in de band zat en niet geslagen. Op de tweede en derde dag gebruikten zij de kabel, maar daarna werd ik met handen in m'n buik gestompt en in mijn nek en mijn gezicht geslagen. Twee tot drie weken kleurde mijn huid blauw waar ze mij met de kabel hadden geslagen, maar er was geen bloed. Aan het eind van de dag zeiden ze: "Morgen zal erger worden". Daar kon ik niet van slapen.

Op de derde dag duurde de ondervraging wel 18 uur. Van tijd tot tijd werd ik geslagen en een of twee uur moest ik de wachtkamer in vanwaar ik veel mensen hoorde schreeuwen. Ze wilden dat ik zei dat ik naar Afghanistan was geweest. Dat was een verassing voor mij want in de VS hadden ze dit niet gevraagd.

Ze bleven mij maar slaan en uiteindelijk gaf ik een valse verklaring dat ik in Afghanistan geweest was. Ik was bereid om alles te zeggen wat ze wilden horen als ze maar ophielden mij af te ranselen. Ze wilden dat ik bekende naar een trainingskamp te zijn geweest. Ik had het zo benauwd, ik deed het tot tweemaal in mijn broek. Daarna sloegen ze mij minder vaak.

Aan het eind van iedere dag zeiden ze altijd "morgen zal het voor jou erger zijn" en daarom kon ik telkens niet slapen. Vier dagen sliep ik helemaal niet en daarna ongeveer een maand lang niet meer dan twee uur per nacht. Meestal werd ik niet naar mijn cel teruggebracht maar naar de wachtkamer waar ik de gevangenen kon horen schreeuwen die gemarteld werden. Een keer hoorde ik hen iemands hoofd heel hard tegen een bureau slaan. Na 17 oktober werd het martelen minder.

Hun volgende taktiek was om mij geblinddoekt in een kamer te zetten terwijl mensen over mij praatten. Ik hoorde hen zeggen: "Hij kent veel mensen die terroristen zijn, we zullen uitvinden wie; hij is een leugenaar, hij is lang in het buitenland geweest." Dan zeiden ze: "Laat ons openlijk wezen, laten we vrienden zijn en vertel ons de waarheid." En dan kwamen ze van achter het bureau en gaven mij een klap in m'n gezicht. Ze speelden veel psychologische spelletjes. Drie dagen voordat ik mijn eerste bezoek kreeg, van het (Canadese) consulaat op 23 oktober, hielden de ondervragingen en het slaan op.

Ik werd uit mijn cel gehaald en geschoren. Ik werd naar een ander gebouw geleid en daar was de kolonel met wat andere mensen en zij leken allemaal nogal nerveus en geagiteerd te zijn. Ik wist niet wat er gaande was en ze vertelden het mij niet. Ze vertelden nooit wat er ging gebeuren. Ik kreeg instructies niets te zeggen over het martelen. Daarna werd ik een kamer binnengebracht voor een gesprek van tien minuten met de consul. De kolonel was erbij en verder nog drie andere Syrische ambtenaren en een tolk. Ik huilde veel gedurende dat gesprek. Ik kon niets zeggen over het martelen. Ik dacht: als ik dat doe dan blijft het bij dit ene bezoek en beginnen de martelingen weer opnieuw.

Na het bezoek, dat ongeveer een maand na mijn aankomst plaatsvond, werd ik geroepen om mijn handtekening en duimafdruk te zetten op een document van ongeveer zeven pagina's. Ik mocht het niet lezen, maar ik moest mijn handtekening en duimafdruk op iedere pagina zetten. Het was een met de hand geschreven document.

Nog een ander document van drie pagina's bevatte een aantal vragen: Wie zijn je vrienden? Hoe lang ben je al in het buitenland? Op de laatste vraag stonden lege lijnen. Zij vulden de antwoorden in. Behalve bij de laatste vraag, waar ik zelf moest neerzetten dat ik in Afghanistan geweest was.

De consulaire bezoeken waren als een reddingslijn voor mij, maar ik vond ze ook heel ergerlijk. Ik kreeg zeven consulaire bezoeken en een bezoek van parlementsleden. Na zo'n bezoek sloeg ik mijn hoofd tegen de tafel van ergernis. Ik had die bezoeken broodnodig, maar ik kon hen niets vertellen.

Ik kreeg nieuwe kleren na het consulaire bezoek van 10 december. Tot dan toe droeg ik dezelfde kleren die ik in het vliegtuig uit de VS aan had.

In december had ik drie maal een heel moeilijke tijd. Allerlei herinneringen zwierven door mijn hoofd en ik werd er gek van en gilde het uit. Daarna kon ik niet goed ademen en voelde me duizelig.

Zes maanden lang heb ik geen zonlicht gezien. De enige keren dat ik uit het graf mocht was voor ondervragingen en voor de bezoeken. Het dagelijks leven daar was een hel. Toen ik in New York aangehouden werd woog ik 82 kilo. Ik denk dat ik zo'n 18 kilo minder woog toen ik in de Palestijnse Afdeling verbleef.

Op 19 augustus 2003 werd ik weer naar boven gehaald en naar een onderzoeker gebracht. Ik kreeg een blad papier en moest neerschrijven wat hij mij dicteerde. Als ik protesteerde gaf hij mij een schop. Ik werd gedwongen te schrijven dat ik in een trainingskamp in Afghanistan was geweest. Ik moest het tekenen en mijn duimafdruk erop zetten. Dezelfde dag werd ik overgeplaatst. Later leerde ik dat dit de Onderzoek Afdeling was. Ik kwam in een collectieve cel terecht van ongeveer 4 bij 7 meter. Er waren zo'n 50 mensen in die cel. De volgende dag werd ik naar de Sednaya gevangenis gebracht. Gelukkig werd ik daar niet gemarteld, maar andere gevangenen wel bij hun aankomst.

De Sednaya gevangenis was als de hemel voor mij. Ik kon rondlopen en met andere gevangenen praten. Ook kon ik daar eten kopen en bracht mijn gewicht weer op peil. Slechts eenmaal werd ik daar gemarteld.

Op 19 of 20 september hoorde ik van andere gevangenen dat nog een andere Canadees gearriveerd was. Ik keek op en zag een man, maar ik herkende hem niet. Zijn hoofd was kaalgeschoren en hij was heel erg mager en bleek. Hij was erg zwak. Toen ik nog eens wat beter naar hem keek herkende ik hem. Het was Abdullah Almalki. Hij vertelde mij dat ook hij in de Palestijnse Afdeling had gezeten en dat hij ook in zo'n graf had geleefd, alleen nog langer dan ik. Hij was heel veel gemarteld met de band en de kabel. Ze hadden hem ook aan z'n benen opgehangen. Hij was veel meer gemarteld dan ik, ook in de Sednaya gevangenis waar hij twee weken geleden aangekomen was.

Ik weet niet waarom ze Abdullah daar gevangen houden. Wat ik wel met zekerheid weet is, dat geen enkel mens in de wereld het verdient zo behandeld te worden als hij en ik hoop dat Canada alles in het werk zal stellen hem te helpen.

Op 28 september werd ik weggehaald, geblinddoekt en, volgens mij in een bus, vervoerd naar de Palestijnse Afdeling. Ze wilden mij niet laten weten wat er ging gebeuren en ik was bang dat ik weer in het graf opgesloten zou worden. Maar ik werd in een van de wachtkamers gehouden waar ze mensen martelen. Ik kon de gevangenen weer horen schreeuwen.

Diezelfde dag werd ik naar een kantoor gebracht waar ik weer vragen moest beantwoorden, onder andere wat ik zou zeggen als ik terug naar Canada gestuurd zou worden. Ze zeiden niet dat ik vrijgelaten werd.

Ik werd teruggebracht naar de wachtkamer waar ik een hele week verbleef, luisterend naar het geschreeuw van de gevangenen die gemarteld werden. Het was verschrikkelijk.

Op zondag 5 oktober brachten ze mij in een auto naar een rechtbank. Ik kwam in een kamer terecht met een aanklager. Ik vroeg om een advocaat, maar hij zei dat ik er geen nodig had. Ik vroeg wat er moest gebeuren en hij las mij mijn bekentenis voor. Ik probeerde te argumenteren dat ik gemarteld was en niet in Afghanistan was geweest, maar hij luisterde niet. Ook zei hij niet waarvoor ik aangeklaagd was, maar zei dat ik mijn vingerafdruk en handtekening op het document moest zetten, zonder het te lezen. Daarna zei hij dat ik vrijgelaten zou worden.

Ik werd weer teruggebracht naar de Palestijnse Afdeling waar ik het hoofd van de Syrische Militaire Geheime Dienst ontmoette en vertegenwoordigers van de Canadese ambassade. Toen werd ik vrijgelaten.

Ik wil eindigen met alle mensen te bedanken die voor mijn vrijheid gewerkt hebben, speciaal mijn vrouw Monia en de mensenrechtenorganisaties, al de mensen die brieven geschreven hebben en de parlementsleden die opstonden voor gerechtigheid. En natuurlijk bedank ik ook al de journalisten die mijn verhaal vermeld hebben.

Het laatste jaar is voor mij een enorme nachtmerrie geweest en ik heb de laatste weken thuis doorgebracht om proberen te leven met wat er met mij gebeurd is. Ik weet dat de enige manier waarop ik verder zal kunnen leven en een toekomst opbouwen, is als ik uitvind hoe en waarom dit alles met mij gebeurd is. Ik moet weten waarom dit gebeurd is. Ik geloof dat de enige manier waarop ik dit te weten kan komen, is door de hele waarheid te openbaren in een hoorzitting.

Mijn prioriteit op dit moment is om mijn naam te zuiveren, om alles uit te vinden zodat dit in de toekomst nooit een andere Canadees zal overkomen. Ik geloof dat de beste manier waarop dit kan geschieden, is dat de Canadese regering een hoorzitting insteld. Wat er hier op het spel staat is de toekomst van ons land, de belangen van de Canadese mensen, en misschien het belangrijkste, de internationale reputatie van Canada als een leider in de strijd voor mensenrechten en waar mensen van verschillende ethnische achtergronden op gelijke voet kunnen leven.

Dank u voor uw aandacht.

[1] CBC-artikel.


Meningen

Maher Arar met zijn vrouw Monia Mazigh.
Maher Arar met zijn vrouw Monia Mazigh.