|
Positie Cheney steeds onzekerder
WASHINGTON, 8 november 2005 - De rol
van de Amerikaanse vice-president Dick Cheney in de aanloop
naar de oorlog in Irak stelt president George W. Bush voor
een groeiend probleem. Nu ook voormalige bondgenoten de
vice-president afvallen, verandert Cheneys politieke omgeving
steeds meer in een mijnenveld.
Tien dagen zijn intussen gepasseerd sinds
de aanklacht tegen Cheneys stafchef I. Lewis
Libby. Libby wordt ervan beschuldigd dat hij meineed
pleegde, valse verklaringen aflegde en de rol van het gerecht
belemmerde. Hij zou de identiteit van CIA-agente Valerie
Plame hebben gelekt naar de pers, in de VS een strafbaar
feit. Het zou om een wraakactie gaan omdat Plames echtgenoot,
oud-diplomaat Joseph Wilson, de regering er destijds van
beschuldigde dat zij onder valse voorwendselen Irak was
binnengevallen.
Het lijkt op dit moment nog wat voorbarig
om de positie van Cheney ter discussie te stellen. Sinds
gaat de aandacht vooral uit naar een andere hoofdrolspeler
in het Irak-verhaal: Bush adviseur Karl Rove.
Het is natuurlijk afwachten of Libby zal
verklaren dat zijn voormalige baas hem ertoe heeft aangezet
de naam van Plame te lekken. Maar Cheneys lot hangt niet
alleen van het antwoord op die vraag af. Belangrijker is
of het Witte Huis Cheney als een serieuze bedreiging gaat
zien voor Bush en de Republikeinse wetgevers die graag de
macht willen houden na de volgende verkiezingen.
Uit opiniepeilingen blijkt dat een meerderheid
van de Amerikanen gelooft dat Cheney op zijn minst wist
van de acties van Libby. Bush heeft een 'Cheney-probleem',
besluit analist en columnist William Schneider in het National
Journal. Een groot deel van dat probleem heeft betrekking
op Irak en in het bijzonder op Cheneys rol in de aanloop
naar de oorlog in Irak. Nu tweederde van de Amerikanen de
invasie in Irak als een 'fout' ziet en meer dan de helft
vindt dat de regering het volk heeft voorgelogen over redenen
voor de invasie, is Cheney in een kwetsbare positie beland.
Newsweek citeerde een 'hoge functionaris'
en sympathisant van Cheney, die zei dat het aannemelijk
is dat de invloed van de vice-president zal afnemen, maar
dat "dat lastig is als die invloed al gedaald is tot
nul." Een overdrijving, want ook al is Cheney invloed
kwijtgeraakt aan minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza
Rice, hij bemoeit zich nog steeds duidelijk met kwesties
die hij als prioriteiten beschouwt, zoals Iran en Noord-Korea.
Cheney speelde recent een sleutelrol in
het beletten van een bezoek van onderminister van Buitenlandse
Zaken voor Aziatische Kwesties, Christopher Hill, aan Noord-Korea.
Dat bezoek was bedoeld als voorbereiding op de Zespartijenbesprekingen
deze maand in Peking over Pyongyangs nucleaire programma.
En een voorstel van Buitenlandse Zaken om gesprekken met
Teheran te hervatten, werd getorpedeerd nadat Cheney liet
blijken dat hij er niet van gecharmeerd was.
Tijdens een bijeenkomst met senatoren
vorige week, gaf Cheney blijk van zijn minachting voor het
standpunt van de meeste van zijn Republikeinse toehoorders,
die zich voor het eerst tegen het Witte Huis keerden door
voor een verbod op marteling te pleiten. Als Cheney werkelijk
weinig invloed meer zou hebben, had hij niet zo sterk stelling
kunnen nemen tegen het invoeren van wetgeving die marteling
en inhumane behandeling van terreurverdachten verbiedt.
Volgens Cheney zou dergelijke wetgeving onacceptabele risicos
voor de binnenlandse veiligheid met zich meebrengen.
Cheneys agressieve oppositie tegen het
zogenoemde 'McCain-amendement', die hem in de Washington
Post de bijnaam 'vice-president voor Martelingszaken' opleverde,
wekt de indruk dat hij zelf vertrouwen heeft in zijn positie.
Het McCain-amendement stelt een verbod voor op "wrede,
inhumane of vernederende behandeling of straffen" zoals
die gedefinieerd zijn in de Amerikaanse Grondwet en op alle
verhoortechnieken die niet zijn goedgekeurd in het Handboek
van het Amerikaanse leger, opgesteld in overeenstemming
met de Conventies van Genève. Bush steunt Cheney
in zijn afwijzing van het McCain-amendement, hoewel hij
volhoudt dat er niet gemarteld wordt.
De vraag is echter of de steun van Bush
stand houdt, nu de vice-president in steeds zwaarder weer
terecht komt. Zo heerst onder Republikenen en kabinetsleden
die voorheen onverdeeld het regeringsbeleid ten aanzien
van terrorisme steunden, nu verdeeldheid over het McCain-amendement.
Cheney ondervindt niet alleen weerstand van het ministerie
van Buitenlandse Zaken, dat de vorige regering-Bush al aanviel
op de behandeling van gevangenen. De tegenwind komt ook
van voormalige bondgenoten. In de Washington Post werden
neoconservatief Elliot Abrams, plaatsvervangend veiligheidsadviseur
voor democratie en zijn baas Stephen Hadley, nu genoemd
als tegenstanders van het beleid van Cheney.
Nog opmerkelijker is de oppositie van
de nieuwe plaatsvervanger van Pentagonbaas Donald Rumsfeld,
Gordon England. Zijn weerstand is vooral schadelijk omdat
het suggereert dat ook Rumsfeld zelf de vice-president zou
zijn afgevallen in een belangrijke kwestie.
Vorige maand zei Lawrence Wilkerson, de
stafchef van voormalig minister van Buitenlandse Zaken Colin
Powell, dat Cheney en Rumsfeld samen 'een kliek' leiden
die het Amerikaanse buitenlandbeleid heeft 'gekaapt' na
de aanslagen van 9/11. Cheney en Rumsfeld zouden de gebruikelijke
besluitvormingstrajecten omzeild hebben om hun zin te krijgen.
Wilkerson suggereerde tijdens een interview op National
Public Radio ook dat de goedkeuring voor de mishandeling
van gevangenen van Cheney kwam.
Het is onwaarschijnlijk dat de mishandeling
van gevangenen zal leiden tot de val van de vice-president.
Wel kan nader onderzoek naar de gebeurtenissen voorafgaand
aan de oorlog in Irak, en in het bijzonder naar de rol van
de 'kliek' rond Cheney, leiden tot een nieuw slagveld waarin
de vice-president niet in de aanval maar in de verdediging
zal moeten spelen. (IPS)
|