|
Voorburg, 31 mei 2001 - Een aantal belangrijke
in dit Conjunctuurbericht opgenomen indicatoren laat een minder gunstige
ontwikkeling zien dan een maand geleden. De economische groei in het eerste
kwartaal van 2001 is de laagste van de afgelopen vijf jaar.
Algemeen: minder gunstige ontwikkelingen
Een aantal belangrijke in dit Conjunctuurbericht
opgenomen indicatoren laat een minder gunstige ontwikkeling zien dan een
maand geleden. De economische groei in het eerste kwartaal van 2001 is
de laagste van de afgelopen vijf jaar. Zowel bij de bestedingen als bij
de productie vertraagt het stijgingstempo. Het lagere producentenvertrouwen
wijst erop dat in de industrie de productie en de export in een lagere
versnelling blijft draaien. De inflatie is verder opgelopen richting vijf
procent en de weer opgelopen stijging van de producentenprijzen duidt
op een aanhoudende inflatiedruk. De dollar is in mei ongeveer een dubbeltje
duurder geworden en bereikte op 28 mei de waarde van f 2,57. Lichtpuntjes
in het conjunctuurbeeld zijn het verder gedaalde werkloosheidscijfer en
het vertrouwen van consumenten dat niet verder is afgenomen. Positief
is ook het feit dat er sinds 22 april in ons land geen nieuwe gevallen
van Mond- en klauwzeer zijn geconstateerd. In navolging van de renteverlagingen
in de Verenigde Staten heeft in mei ook de Europese Centrale Bank de rente
met een ¼ procent-punt verlaagd.
Economische groei: 2,0 procent in eerste kwartaal
Volgens de eerste, voorlopige raming valt de economische
groei in het eerste kwartaal van 2001 terug. De volumegroei van het bruto
binnenlands product (BBP) bedraagt 2,0 procent ten opzichte van een jaar
eerder. Dit cijfer is beduidend lager dan de gemiddelde groei van 3,9
procent in 2000. Bij alle drie bestedingscategorieën van de economie
vertraagt het stijgingstempo. De volumestijging van de uitvoer neemt af
van 9,1 procent in 2000 naar 6,6 procent in het eerste kwartaal 2001.
Verder loopt aan de bestedingenkant vooral de consumptiegroei van huishoudens
terug, van gemiddeld 3,9 procent in 2000 tot 2,0 procent in het eerste
kwartaal. Aan duurzame goederen is in de eerste drie maanden van 2001
voor het eerst sinds jaren minder besteed dan in een jaar eerder. Ook
het stijgingstempo van de bruto investeringen in vaste activa is teruggevallen.
Bij de bouwnijverheid, een belangrijke producent van investeringsgoederen,
stagneert de productie in het eerste kwartaal van dit jaar. De prijsstijging
van het BBP is in het eerste kwartaal van 2001 verder opgelopen tot 5,2
procent. Prijsstijgingen van meer dan 5 procent hebben zich voor het laatst
voorgedaan in het begin van de jaren tachtig. De prijsontwikkeling van
het BBP omvat naast de prijsverandering van de consumptie en investeringen
ook het verschil in ontwikkeling tussen de uitvoer- en de invoerprijzen.
Producentenvertrouwen: voor de zevende keer op
rij gedaald
De stemmingsindicator van de ondernemers in de
industrie is in april opnieuw gedaald en uitgekomen op -0,5. Hiermee heeft
het producentenvertrouwen voor het eerst sinds het begin van 1999 een
negatieve waarde bereikt. De afname in april betekent de zevende achtereenvolgende
daling van de stemmingsindicator. Uit onderzoek is gebleken dat het producentenvertrouwen
doorgaans enige maanden voorloopt op de ontwikkeling van de industriële
productie. Uit de Conjunctuurtest blijkt verder dat de ondernemers in
de industrie in april minder orders hebben ontvangen dan in maart. Met
name de vraag vanuit het buitenland neemt af. Hierdoor is de werkvoorraad
in april kleiner geworden. Het indexcijfer van de orderpositie is in april
met één indexpunt gedaald en uitgekomen op 98,0 (juni 2000=100).
De orderpositie van de Nederlandse industrie is sinds januari van dit
jaar onafgebroken verslechterd.
Landbouw: mond- en klauwzeer in Nederland
Op 21 maart werd het eerste geval van Mond- en
klauwzeer (MKZ) in ons land ontdekt. Op de voorlopige uitkomsten van de
economische groei van het eerste kwartaal (2,0 procent) heeft de MKZ-epidemie
dan ook nog geen invloed van betekenis gehad. Deze effecten zullen pas
bij de berekening van het tweede kwartaal tot uitdrukking komen. Sinds
22 april zijn er in ons land geen nieuwe gevallen van MKZ geconstateerd.
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de schatting van de economische schade
door MKZ geactualiseerd. Deze ruwe schatting heeft een voorlopig karakter.
Naar actuele inzichten bedraagt de totale schade door de MKZ-epidemie
ongeveer 2,8 miljard gulden. Als gevolg hiervan zal de CPB-prognose van
de economische groei voor dit jaar (3¼ procent), ongeveer 0,3 procent naar beneden
worden bijgesteld. De landbouwsector lijdt de meeste schade, in totaal
ongeveer 1,2 miljard gulden. Er zijn ongeveer 280 duizend dieren vernietigd.
Een aantal veehouderijbedrijven heeft te maken met leegstand en bijna
alle veehouderijbedrijven hebben extra kosten moeten maken in verband
met de maatregelen die met de crisis samenhingen. In het verlengde van
de schade in de veehouderij hebben ook toeleverende en verwerkende bedrijven
schade ondervonden. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan de vee-
en vleesverwerkende bedrijven en de zuivelsector, maar ook aan transportondernemingen,
bedrijven die investeringsgoederen aan de landbouw leveren, bouwers en
inrichters van stallen enz. Ook bedrijven die op hun beurt weer aan deze
verwerkende en toeleverende bedrijven leveren, vallen hieronder. De schade
voor al deze bedrijven wordt voorlopig op ongeveer 1,1 miljard gulden
geschat. Tot slot is er een derde categorie bedrijven die schade heeft
ondervonden. Deze bedrijven staan economisch los van de landbouw. Te denken
valt aan bedrijven in de toeristische en recreatieve sfeer, winkels en
de bouw. De schade voor deze bedrijven wordt door het CPB geschat op ruim
0,5 miljard gulden.
Consumentenvertrouwen: stabilisatie in mei
Na vier maanden van dalingen is het consumentenvertrouwen
in mei niet verder afgenomen. De lichte toename, van -0,4 in april naar
2,6 in mei, is vrijwel geheel toe te schrijven aan een minder pessimistisch
oordeel over het economisch klimaat in het algemeen (april: -26,2 tegen
mei: -19,7). Het economische klimaat is één van de twee
onderdelen waarmee het consumentenvertrouwen gemeten wordt. Vooral de
verwachtingen voor de komende twaalf maanden zijn minder negatief dan
in april. Iets minder dan veertig procent van de ondervraagden verwacht
een verdere verslechtering. In april was dat nog bijna de helft. Net als
vorige maand voorziet slechts één op de tien een verbetering
in de komende tijd. Ondanks de veranderingen in het oordeel over het economisch
klimaat is de koopbereidheid in de eerste vijf maanden van 2001 nagenoeg
stabiel. In mei lag het saldo van positieve en negatieve antwoorden op
17,4 procent. De koopbereidheid ligt wel op een lager niveau dan in 2000. Dit
onderdeel van het consumentenvertrouwen wordt gebaseerd op de mening van
huishoudens over hun eigen financiën en over het doen van grote uitgaven.
Ten opzichte van april vinden huishoudens de tijd iets gunstiger voor
het doen van grote aankopen, zoals televisies, koelkasten en computers.
De mening van de consument over zijn eigen financiële situatie is
in mei vrijwel ongewijzigd.
Consumentenprijzen: inflatie in april verder
opgelopen
Tussen maart en april van dit jaar zijn de consumentenprijzen
gemiddeld met 0,6 procent gestegen. De belangrijkste oorzaak van deze stijging
is de prijsontwikkeling van vlees en autobrandstoffen. Doordat de energieleveranciers
hun inkoopprijzen van elektriciteit zagen dalen, gingen de elektriciteitstarieven
voor de consument in deze periode omlaag. De inflatie in april komt uit
op 4,9 procent, dit is 0,3 procent-punt hoger dan in maart. Het inflatiecijfer in april
is de hoogste sinds oktober 1982. Ongeveer 1 procent-punt van de inflatie is
toe te schrijven aan de verhoging afgelopen januari van de BTW en de ecotaks.
Echter ook de zogenaamde afgeleide reeks, waarin voor deze belastingmaatregelen
is gecorrigeerd, laat de hoogste uitkomst zien sinds oktober 1982.
Binnen de Eurozone is Nederland nu het land met veruit de hoogste inflatie.
Voor ons land ligt het geharmoniseerde prijsindexcijfer in april dit jaar
5,3 procent hoger dan een jaar geleden, op de tweede plaats gevolgd door Portugal
met 4,6 procent. De inflatie komt voor de Eurozone in zijn geheel gemiddeld uit
op 2,9 procent. De grootste prijsstijgingen zijn ook hier gemeten voor energie
(+7,8 procent) en voedingsmiddelen (+4,8 procent). Deze zijn echter bijlange na niet
zo groot als in ons land.
Producentenprijzen: afzetprijzen industrie gestegen
De prijzen van Nederlandse industrieproducten zijn
in april 2001 vergeleken met maart 0,9 procent gestegen. Met name de prijzen
van rundvlees en benzine zijn fors hoger. De binnenlandse afzetprijzen
stijgen met 0,3 procent, de exportprijzen met 1,3 procent. In vergelijking met april
2000 liggen de prijzen in de industrie in april gemiddeld 6,0 procent hoger.
Iets meer dan in maart, toen de toename op 5,1 procent lag. In de periode oktober
2000-maart 2001 waren de prijsstijgingen juist iedere maand afgenomen.
Werkloosheid: verder gedaald
De werkloosheid is in de periode februari-april
van dit jaar verder gedaald. Het aantal geregistreerde werklozen komt
in die periode uit op 155 duizend, een daling ten opzichte van de hieraan
voorafgaande periode met 21 duizend. Nu is een daling in deze tijd van
het jaar gebruikelijk. Echter ook na correctie voor seizoeninvloeden resteert
een daling, met 11 duizend. Vergeleken met een jaar geleden is het aantal
werklozen nu 46 duizend lager. Dit betekent een daling met gemiddeld vierduizend
per maand.
Hypotheken: minder oversluitingen en tweede hypotheken
In het eerste kwartaal van dit jaar zijn 100 duizend
woninghypotheken afgesloten. Dit is laagste aantal sedert het derde kwartaal
van 1995. Vooral het aantal oversluitingen en tweede hypotheken is sterk
afgenomen. In het eerste kwartaal van 2001 lag het aantal oversluitingen
en tweede hypotheken 19 procent lager dan in het eerste kwartaal van 2000. Dit
is een voortzetting van de trend die sinds eind 1999 is ingezet. In 1999
steeg het aantal oversluitingen en tweede hypotheken nog met gemiddeld
26 procent. Oversluitingen worden gestimuleerd door een lage hypotheekrente,
een overwaarde op de woning en de hypotheekrenteaftrek. Een oorzaak voor
de huidige sterke afname van oversluitingen is dus zeer waarschijnlijk
gelegen in de gestegen hypotheekrente. Na de historisch lage rente van
gemiddeld 5,0 procent in het tweede kwartaal van 1999 is deze namelijk geleidelijk
gestegen naar het huidige niveau van ongeveer 6 procent. Een andere reden zou
kunnen zijn dat de mensen die van plan waren hun hypotheek over te sluiten
dit voor een groot deel inmiddels ook gedaan hebben. Sedert begin 2000
daalt ook het aantal nieuw ingeschreven woninghypotheken op basis van
woningtransacties. Dit kan behalve door de gestegen rente ook veroorzaakt
worden door de alsmaar stijgende huizenprijzen. De gemiddelde verkoopprijs
van een woning was in het eerste kwartaal van dit jaar 397 duizend gulden.
In het eerste kwartaal van vorig jaar was dit nog 351 duizend gulden.
Het is bovendien niet ondenkbaar dat de afname van het aantal nieuw ingeschreven
woninghypotheken ook voor een deel verklaard kan worden door de invoering
van het nieuwe belastingstelsel begin dit jaar. Daarin is een verlaging
van de belastingtarieven opgenomen. Dit kan betekenen dat de hypotheekrente
tegen een lager percentage aftrekbaar wordt en daardoor de netto maandlasten
kunnen stijgen.
Focus: incidentele en structurele factoren consumptiegroei
De binnenlandse individuele consumptie kent in
het eerste kwartaal een bescheiden volumegroei (1,9 procent). Dit is de laagste
toename op kwartaalbasis van de afgelopen jaren. Een deel van de terugval
kan verklaard worden uit incidentele factoren. Zo ging de invoering van
het nieuwe belastingstelsel op 1 januari jongstleden gepaard met een verhoging
van het hoge btw-tarief. Hierop vooruitlopend haalde een aantal consumenten
de aankoop van met name duurzame goederen naar voren. De fiscale maatregelen
stimuleerden eind vorig jaar bovendien de uitgaven aan financiële
en zakelijke diensten. Deze anticipatie-aankopen betekenden een extra
impuls voor de consumptiegroei in het vierde kwartaal van 2000.
De keerzijde hiervan is een verlagend effect op de groei begin 2001, vooral
bij duurzame goederen. Het volume van de bestedingen aan duurzame goederen
in het eerste kwartaal is 3,3 procent kleiner dan een jaar eerder. Na 1995 heeft
zich bij deze consumptiecategorie geen afname meer voorgedaan. In de eerste
maanden van dit jaar valt vooral de aankoop van nieuwe personenauto's
zwaar tegen. Ook als de bestedingen aan vervoermiddelen buiten beschouwing
worden gelaten, valt de consumptiegroei in het eerste kwartaal terug.
Dit beeld van een wat lagere consumptiegroei wordt bevestigd door gegevens
over spaargelden, hypotheken en de koopbereidheid. In het eerste kwartaal
hebben Nederlandse huishoudens meer gespaard dan in geheel 2000. In januari
hing de stijging voor een deel samen met het omzetten van beleggingsrekeningen
in spaarrekeningen als gevolg van het nieuwe belastingstelsel. Ook in
februari en maart is echter meer gespaard. Bij de afgesloten hypotheken
is in het eerste kwartaal vooral het aantal oversluitingen en tweede hypotheken
opnieuw gedaald. Van deze categorie hypotheken werd de afgelopen jaren
aangenomen dat een deel van het geld voor consumptieve doeleinden werd
gebruikt. Tot slot ligt de koopbereidheid, een onderdeel van de indicator
van het consumentenvertrouwen, begin 2001 op een wat lager niveau dan
vorig jaar.
Naast de bovengenoemde incidentele effecten kan ook gekeken worden naar
de meer structurele factoren die de consumptiegroei op lange termijn bepalen.
Van alle consumptieve bestedingen komt bijna zeventig procent voor rekening
van de huishoudens zelf. Het resterende deel vormt de consumptie door
de overheid.
Bij de ontwikkeling van de consumptie door huishoudens draait het allereerst
om de stijging van het totale besteedbare inkomen. Dat hangt weer sterk
af van de groei van de werkgelegenheid èn van de loonstijgingen.
De werkgelegenheid kan worden afgemeten aan de banengroei, voor de ontwikkeling
van het gemiddelde loon kan de CAO-loonstijging gebruikt worden als snel
beschikbare indicator. Via onder andere belastingen, premies en uitkeringen
wordt een deel van het looninkomen verder tussen huishoudens verdeeld.
Per saldo is het effect hiervan op de stijging van het inkomen van alle
huishoudens samen op langere termijn vrij klein. De waardestijging van
de consumptie van huishoudens laat dan ook de laatste jaren een sterke
samenhang zien met de groei van de loonsom, zoals afgemeten aan banen
en CAO-lonen.
In hoeverre de waardestijging van het inkomen leidt tot een volumegroei
van de consumptie hangt tot slot af van de prijsontwikkeling. Zolang er
sprake is van een regelmatig tempo van prijsstijgingen, geven de waarde-
en de volumeontwikkeling van de consumptie een vergelijkbaar verloop te
zien. In 1998 is de prijsstijging echter wat lager geweest, zodat de volumegroei
relatief hoog was. Dit hing vooral samen met de toenemende populariteit
van internet en mobiele communicatie op de consumentenmarkt. Door sterke
concurrentie op deze markt daalden de prijzen van deze diensten voortdurend.
Aan het begin van 2001 is de prijsstijging sterk opgelopen. De inflatie
nam toe van 2,9 procent eind 2000 tot 4,9 procent in april. Over de banengroei van het
eerste kwartaal zijn nog geen cijfers bekend. De voorgaande kwartalen
was de groei van de werkgelegenheid echter stabiel op ongeveer 3 procent. De
CAO-loonstijging loopt licht op tot 3,3 procent. Voor het op peil houden van
de consumptiegroei lijkt het nu dan ook van belang dat de belasting- en
premiedruk daalt, zodat het besteedbaar inkomen niet terugloopt. Dit is
ook voorzien bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel. Een eerste
indicatie van de daadwerkelijke ontwikkelingen wordt geboden door de kasontvangsten
van de loonbelasting in het eerste kwartaal van 2001. Deze cijfers hebben
overigens voor een deel betrekking op belastingheffing in december en
bieden slechts een ruwe indicatie van de ontwikkeling van de belastingdruk
in het eerste kwartaal. Ze laten een stijging zien van 2,2 procent in vergelijking
met een jaar eerder. De CAO-loonstijging van 3,3 procent en de stijging van de
kasontvangsten van de loonbelasting van 2,2 procent wijzen erop dat er inderdaad
een verlaging van de belastingdruk plaatsvindt.
|