|
Groot-Brittannië heeft veel goed
te maken in Afrika
Door Peter Dhondt
BRUSSEL, 8 juni 2005 - De Britse regering
beweegt hemel en aarde om meer hulp los te weken voor Afrika.
Maar wat het welmenende Groot-Brittannië met de ene
hand geeft, neemt het soms met de andere hand terug.
Aan goede bedoelingen is bij de Britse
regering momenteel geen gebrek. Premier Tony Blair heeft
Afrika uitgeroepen tot één van de twee hoofdthema's
van de G8-top, de bijeenkomst van de grootste acht industrielanden
in het Schotse Gleneagles van 6 tot 8 juli. Groot-Brittannië
heeft een diplomatiek offensief ontketend om de andere rijke
landen ervan overtuigen hun ontwikkelingshulp op te trekken,
meer schulden kwijt te schelden en arme landen eerlijkere
handelsvoorwaarden toe te staan. Vooral Afrika, het armste
continent, moet daar beter van worden.
Maar Groot-Brittannië profiteert
nog altijd sterk van historisch gegroeide onevenwichten
die Afrika parten spelen. De emigratie van Afrikaanse artsen
en verpleegsters biedt daarvan een goede illustratie. Groot-Brittannië
is een belangrijke aantrekkingspool omwille van de taal
en de talrijke vacatures in de gezondheidssector. Tegenwoordig
werken er ongeveer 12.500 Afrikaanse artsen in het Verenigd
Koninkrijk, schat de BBC. Het merendeel daarvan komt uit
Zuid-Afrika, Zimbabwe, Nigeria en Ghana, landen waar een
onderbemande gezondheidszorg tegen overweldigende epidemieën
en andere problemen moet optornen. De voorbije zes jaar
namen Britse ziekenhuizen ook nog eens 16.000 verpleegsters
uit Afrika in dienst.
De Afrikaanse gezondheidswerkers trekken
naar Groot-Brittannië omdat ze er beter betaald worden,
professioneel veel beter omkaderd zijn en betere perspectieven
hebben, stellen de auteurs van een studie over het thema
dat op 28 mei in het medische vaktijdschrift The Lancet
verscheen. In hun land van herkomst laten ze grote gaten
vallen in het gezondheidsnet. Driekwart van de Zimbabwaanse
artsen hebben hun land sinds de jaren 90 verlaten. In Ghana
is 60 procent van de artsen die in de jaren 60 werden opgeleid
vertrokken. Zimbabwe telt volgens de Wereldgezondheidsorganisatie
nog maar 5,7 artsen per 100.000 inwoners, tegenover 166
voor Groot-Brittannië. De emigratie van artsen is een
aderlating voor Afrika: hun dure opleiding brengt het continent
niets op en de betrokken landen moeten het tekort zien te
verhelpen met dure buitenlandse experts of Cubaanse artsen
die tolken en begeleiders nodig hebben.
De Britse overheid stelt dat de Nationale
Gezondheidsdienst niet actief rekruteert in Afrikaanse landen
waar een tekort aan gezondheidswerkers heerst, en dat de
Britse regering de laatste vijf jaar 560 miljoen pond (835
miljoen euro) heeft geïnvesteerd in de gezondheidszorg
in Afrika. Maar de emigratie duurt voort en geld lost de
problemen niet op, argumenteren de auteurs van de studie
in The Lancet. Ze vinden dat Groot-Brittannië zelf
dringend meer artsen moet opleiden om de vraag naar buitenlands
personeel te verminderen. Groot-Brittannië moet ook
meer hulp bieden aan de gezondheidszorg in Afrika, zodat
artsen daar een betere werkomgeving vinden. En er is ook
ondersteuning nodig voor Afrikaanse initiatieven om artsen
te motiveren of te verplichten (langer) in Afrika te blijven.
Olieroes
Intussen lijken sommige Britse ondernemingen
er nog altijd een koloniale bedrijfsfilosofie op na te houden:
de kunst is uit Afrikaanse landen zoveel mogelijk bodemschatten
vandaan te slepen zonder de plaatselijke bevolking in de
winst te laten delen. Britse ondernemingen profiteren daarbij
- net als hun Franse, Amerikaanse en Chinese concurrenten
- van de slechte organisatie en de corruptie van veel Afrikaanse
regimes.
De Britse krant The Guardian is met een
onderzoek begonnen dat voorbeelden oplevert van uiterst
bedenkelijke projecten. In Equatoriaal Guinee heeft BG,
het voormalige staatsbedrijf British Gas, een overeenkomst
gesloten met de regering van president Teodoro Obiang om
's lands productie van vloeibaar gemaakt aardgas voor de
komende 17 jaar op te kopen. Een Amerikaanse senaatscommissie
beschuldigt de Britse HSBC-bank ervan Obiang te helpen opbrengsten
uit de olie- en gassector naar discrete banken in Luxemburg
en Cyprus te versluizen.
De Londense Bank LIB zat achter pogingen
van concerns om een monopoliepositie te verwerven in de
alluviale diamantproductie en de telecommunicatiesector
in het jarenlang door burgeroorlog geplaagde Liberia. Na
kritiek van de VN en de Wereldbank op het initiatief trok
de LIB zich terug.
In Angola wordt Standard Chartered, een
grote Britse ontwikkelingsbank, ervan beschuldigd de economie
van het land in de problemen te brengen met miljardenzware
leningen die de bank beslissingsmacht geven over de toekomstige
olieproductie van Angola.
Bedrijven uit andere landen gaan
even zwaar in de fout in Afrika. Chinese bouw- en oliebedrijven
steunen het omstreden regime in Sudan. Amerikaanse oliefirma's
betaalden smeergeld aan de voormalige Nigeriaanse dictator
Abacha en westerse banken hielpen hem miljarden in het buitenland
in veiligheid te brengen. Het Franse Elf wordt ervan beschuldigd
even gul met smeergeld te zijn geweest en Afrikaanse landen
ertoe te hebben aangezet onbetaalbare schulden aan te gaan.
(IPS)
|