|
'Europees tsunami-geld helpt vooral
big business'
Door Stefania Bianchi
BRUSSEL, 17 juli 2005 - De tsunami-hulp
voor Indonesië en Sri Lanka komt niet terecht bij de
mensen die het geld het hardst nodig hebben. Waar vroeger
vissersdorpjes lagen, verrijzen nu grote hotelcomplexen,
zeggen actievoerders uit de landen die in december werden
getroffen door de zeebeving.
De wederopbouw in Indonesië en Sri
Lanka wordt volgens boerenorganisaties en actiegroepen uit
die landen gehinderd door "onbillijkheid, bevoogding
en een gebrek aan coördinatie, financiële en politieke
transparantie en betrokkenheid van de getroffen gemeenschappen."
Tijdens een bijeenkomst in Brussel deden ze een beroep op
de Europese Unie (EU), de grootste donor, om het geld beter
te besteden.
Bij de tsunami kwamen zeven maanden geleden
meer dan 200.000 mensen om het leven in dertien landen.
Honderdduizenden mensen leven nog steeds in "hopeloze
omstandigheden en in onzekerheid over hun toekomst",
zeiden de delegatieleden uit Indonesië en Sri Lanka.
"In veel gevallen zijn zij passieve ontvangers. De
besteding van de directe noodhulp houdt te weinig rekening
met de werkelijke behoeften van mensen, de armoedeproblemen
en in sommige gevallen de conflictsituaties waarin ze leefden
voor de tsunami", zei Sarath Fernando, algemeen secretaris
van de Beweging voor Nationale Land- en Agrarische Hervorming,
een kleine boerenorganisatie op Sri Lanka.
Volgens Fernando worden in het kader van
de wederopbouw overheidsplannen doorgedrukt zonder overleg
met maatschappelijke organisaties. De hulp zou bovendien
niet terechtkomen in de sectoren die het zwaarst getroffen
zijn door de ramp, zoals de visserijsector.
Fernando maakt zich zorgen over de rol
van de zogenoemde Taakgroep voor Wederopbouw van het Land
(TAFREN) die kort na de tsunami in Sri Lanka werd opgezet
en die gedomineerd wordt door een aantal zakenlieden. "Zij
vertegenwoordigen niet de getroffen mensen en ook niet de
hulpverleningsorganisaties, academici, wetenschappers of
welke deskundigen dan ook die ervaring hebben met wederopbouw
na rampen", zegt hij.
Fernando beweert dat de wederopbouw zo
die nu plaatsvindt, vooral gericht is op het bevorderen
van "big business" en toerisme en dat aan de echte
behoeften van de bevolking weinig aandacht wordt besteed.
Arme dorpjes aan de kust worden nu vervangen door grote
hotelcomplexen.
Kort na de tsunami zei de Sri Lankaanse
regering dat mensen hun huizen niet moesten herbouwen aan
kust. Volgens Fernando was dat niet om bedoeld om de vissersgemeenschappen
te beschermen. "De vissers worden nu gedwongen om plaats
te maken voor de toeristenindustrie. De overheid wil op
alle terreinen grootschalige industrie bevorderen. Voor
kleinschalige visserij, zelfvoorzienende landbouw of kleinschalig
toerisme in dorpsgemeenschappen is geen ruimte meer."
Na de tsunami kwam vanuit de hele wereld
ongeveer 10,7 miljard euro hulp binnen voor de getroffen
landen. Het wederopbouwproces vordert echter langzaam en
duizenden mensen zijn nog dakloos. De Verenigde Naties voorspellen
dat de reconstructiewerkzaamheden nog wel vijf jaar in beslag
kunnen nemen. Maatschappelijke groeperingen uit Indonesië
en Sri Lanka waarschuwen dat het geld voor wederopbouw de
langetermijnproblemen in de landen niet oplost.
In een gezamenlijke verklaring erkennen
vijf groeperingen, het World Forum of Fisher People (Sri
Lanka), Indonesia Corruption Watch, Panglima Laot (een Indonesische
vissersorganisatie), de Zuid-Aziatische Alliantie voor Armoedebestrijding
en de Beweging voor Nationale Land- en Agrarische Hervorming,
dat noodhulp noodzakelijk is. Maar zij wijzen er ook op
dat geld dat naar projecten op korte termijn gaat, de lokale
structuren en organisaties ondermijnt.
De organisaties pleiten voor het
opzetten van reservefondsen die mede beheerd worden door
vertegenwoordigers uit de getroffen gemeenschappen. Dat
geld zou gebruikt moeten worden voor langetermijnprojecten.
Plaatselijke organisaties zouden volledig inzicht moeten
krijgen in de besteding van het geld. (IPS)
|