|
Schendingen van mensenrechten en internationale
rechtsprincipes in Guantanamo.
Door Astrid Essed.
Niet alleen moeten de recente FBI-onthullingen
over martelingen van gevangenen in Guantanamo gezien worden
tegen het licht van de reeds bekende informatie over mensenrechtenschendingen
tav van hen, met name houden zij verband met de schending
van hun rechtspositie door de Amerikaanse overheid, hetgeen
in belangrijke mate bepalend is geweest voor hun situatie.
Samenstelling gevangenen:
In Guantanamo bevinden zich momenteel
meer dan 660 gevangenen, van wie de grootste groep bestaat
uit tijdens de oorlog in Afghanistan en Irak gevangengenomen
militairen en strijders en een kleinere groep uit mensen,
die in andere delen van de wereld gearresteerd zijn op verdenking
van terrorisme.
Frappant echter in dezen is, dat beide
groepen gelijkelijk door de Amerikaanse Overheid als 'terroristen'
worden beschouwd, ongeacht de omstandigheden waaronder hun
detentie heeft plaatsgehad [bij oorlogshandelingen cq individuele
arrestaties in andere delen van de wereld] en de tot nu
toe niet hard-gemaakte bewijsvoering.
A) Rechtspositie gevangenen:
1) Rechtspositie van de groep tijdens de
gevechtshandelingen gevangengenomen strijders:
Mensenrechtenschendingen:
De eerste transporten naar Guantanamo
van tijdens de oorlog in Afghanistan gevangengenomen Taliban
en Al-Qaedastrijders, die plaatshadden in januari 2002,
twee maanden na de beëindiging van de oorlog in Afghanistan,
werden gekenmerkt door ernstige schendingen van de mensenrechten
van de gevangenen. Zo werden gevangenen niet alleen aan
elkaar vastgeketend, hetgeen vanuit humanitair opzicht onacceptabel
is, maar kregen daarenboven zowel een kap over hun hoofd
als dopjes in de oren, waardoor er sprake was van psychische
schade vanwege ernstige desoriëntatieproblemen, hetgeen
in strijd is met de internationaal verplichte humane behandeling
van gevangenen.
In Guantanamo aangekomen werden zij opgesloten
in kooien, hetgeen niet alleen in strijd is met de voor
gevangenen verplichte menswaardige detentiefaciliteiten,
maar hen bovendien blootstelde aan de wisselende weersomstandigheden
met alle voor de gezondheid nadelige gevolgen van dien.
Rechtspositie:
Nog ingrijpender voor de positie van deze
gevangenen was echter de definiëring van hun rechtspositie
door de Amerikaanse overheid of liever gezegd het ontbreken
daarvan. De Amerikaanse Overheid beschouwde namelijk de
groep Guantanamo-gevangenen, die was samengesteld uit in
de oorlog in Afghanistan en Irak gevangengenomen militairen
en strijders, niet als krijgsgevangenen, maar als zogenaamde
'vijandelijke strijders'.
Een en ander impliceerde, dat zij geen
aanspraak konden maken op de status van krijgsgevangene
en de daaraan volgens de 3e Conventie van Genève
ontleende rechten. Volgens de 3e Conventie van Genève
moeten namelijk alle krijgsgevangenen na beëindiging
van de oorlogshandelingen in vrijheid gesteld worden, tenzij
er sprake is van een beschuldiging van buiten reguliere
oorlogshandelingen vallende misdrijven zoals oorlogsmisdaden,
cq misdaden tegen de mensheid, waarna binnen de wettelijk
vereiste termijn een proces volgt volgens internationaal
geldende rechtsregels.
Wanneer er echter sprake is van enige
twijfel rond de eventuele status van krijgsgevangene, dient
volgens de 3e Conventie van Genève door een tribunaal
de status van de gevangene te worden vastgesteld, hetgeen
overigens in het geval van de Guantanamo-gevangenen nooit
door de Amerikaanse Overheid is gedaan.
Mocht echter in dat geval sprake zijn
van een niet-krijgsgevangenen-status, dan zijn op dergelijke
gevangenen de principes van de 4e Conventie van Genève
van toepassing, die ondanks de niet-toekenning van de positie
als krijgsgevangene in humanitair-juridische zin grotendeels
overeenkomen met de basisprincipes van de 3e Conventie van
Genève, namelijk een humane behandeling en een eerlijk
proces.
Hieruit vloeit voort, dat detentie zonder
vorm van proces, evenals de reeds genoemde inhumane en vernederende
behandeling, waaraan zij vanaf hun komst [respectievelijk
in 2002 en 2003] waren blootgesteld, streng verboden zijn,
niet alleen volgens de bepalingen van de Conventies van
Genève, maar volgens alle internationale rechtsverdragen.
2) Rechtspositie gevangenen uit andere delen
van de wereld:
Hoewel er in het geval van de arrestaties
van gevangenen in andere landen op basis van echt of vermeend
terrorisme uiteraard geen sprake is van toekenning van een
krijgsgevangenenstatus, is het in dezen evident, dat hun
detentie zonder enige vorm van proces, alsmede de veelal
inhumane en vernederende behandeling in alle opzichten strijdig
is met de internationale rechtsregels in dezen.
Hieruit vloeit voort, dat zij niet alleen
dezelfde rechten hebben als iedere andere verdachte van
een misdrijf, maar derhalve recht hebben op alle voor verdachten
geldende rechtsbescherming zoals een eerlijk proces en een
humane behandeling onder alle omstandigheden.
Uit bovenstaande mag blijken, dat het
door de Amerikaanse overheid impliciet geventileerde standpunt,
dat er voor echte of vermeende 'terroristen' andere rechtsmaatstaven
zouden gelden dan voor andere verdachte, ten enenmale in
strijd is met de geldende internationaal-rechtelijke gelijkheidsprincipes
in dezen en leidt tot een ernstige erosie van de tot dusver
gehanteerde juridische normen.
B) Internationale protesten:
Het is evident, dat de detentieomstandigheden
in Guantanamo en de zeer omstreden rechtspositie van de
gevangenen hebben geleid tot ernstige internationale protesten,
in eerste instantie van mensenrechtenorganisaties als Amnesty
International en Human Rights Watch, maar ook van het doorgaans
terughoudendere Rode Kruis.
Verder werden ernstige protesten geuit
door een groot aantal juridische instanties zoals de Inter-Amerikaanse
Commissie voor mensenrechten, diverse VN-Commissies alsmede
een verklaring van een van de Hoogste Britse Gerechtsinstanties,
die Guantanamo een 'juridisch rechtsvacuum' noemde.Ook van
de zijde van de internationale politiek, waaronder zowel
West-Europese, Arabische als andere Derde Wereldleiders
werden zeer kritische geluiden geventileerd.
Grote kritiek was met name gericht op
de aanwezigheid van drie minderjarigen in Guantanamo, hetgeen
nog los van de inhumane detentieomstandigheden een zeer
ernstige schending is van het eveneens door de VS ondertekende
Optionele Protocol ten aanzien van Kind-Soldaten, dat niet
alleen aan kinderen speciale basisgaranties geeft voor en
adequate opvang, maar met name gericht is op een snelle
integratie in de maatschappij en een detentie, gescheiden
van volwassenen.
C) Militaire tribunalen:
In dit kader is het eveneens van groot
belang stil te staan bij de door de Amerikaanse Overheid
in het leven geroepen militaire tribunalen ter berechting
van de Guantanamo-gevangenen. Op 13 november 2001 werd door
de Amerikaanse president Bush een militaire verordening
ondertekend ter berechting van niet-Amerikaanse burgers,
die van terrorisme werden beschuldigd, hetgeen de basis
heeft gelegd voor de huidige op Guantanamo aanwezige militaire
tribunalen.
Niet alleen is de wettelijke basis voor
de militaire tribunalen als zodanig zeer twijfelachtig,
daarenboven zijn een aantal volgens de militaire tribunalen
geldende bepalingen eveneens in ernstige mate in strijd
met de rechten van verdachten.
1) Dubieuze wettelijke basis:
Nog afgezien van het feit dat de Amerikaanse
Overheid tegen de internationaal-geldende rechtsregels in,
de officiële krijgsgevangenenstatus van de gevangenen
nooit heeft laten vaststellen door een militaire rechtbank,
mogen ook in geval van vaststelling van een krijgsgevangenenstatus
door krijgsgevangenen gepleegde strafbare feiten [oorlogsmisdaden
en misdaden tegen de mensheid] alleen berecht worden door
een officiële Amerikaanse militaire rechtbank, niet
voor een militair tribunaal.
De enige groep, die eventueel voor
een tribunaal berecht mag worden zijn niet-erkende strijders,
van wie is aangetoond, dat zij verwikkeld waren in een gewapend
conflict met de Verenigde Staten, waarbij echter uiteraard
de internationaal geldende rechtsregels betreffende rechten
van verdachte moeten worden gewaarborgd.
2) Schending rechten van verdachten:
Niet alleen is in dezen sprake van een
berechting voor de militaire tribunalen van alle in Guantanamo
aanwezige gevangenen, krijgsgevangenen of niet, daarenboven
is bij de toepassingsreglementen van de militaire tribunalen
tevens sprake van ernstige schendingen van de rechten van
de verdachten:
a) De beperking van het recht van de
verdachte op een advocaat.
In de eerste plaats wordt volgens de reglementen
van de militaire tribunalen aan iedere verdachte een militaire
raadsman toegekend.Weliswaar heeft de verdachte het recht
op het kiezen van zijn eigen advocaat, maar de kosten hiervoor
moeten door verdachte zelf worden opgebracht.
Aangezien de meeste verdachten niet beschikken
over financiële middelen dienaangaande, betekent een
en ander in de praktijk een beperking van de elementaire
rechten van verdachte op het de vrije keuze van een eigen
advocaat.
b) Discriminerende bepalingen
In de tweede plaats is er bij de instelling
van deze militaire tribunalen sprake van evidente discriminatie
tussen Amerikaanse en niet-Amerikaanse burgers, aangezien
Amerikaanse burgers niet voor de tribunalen berecht mogen
worden ongeacht hun eventuele status als niet-erkende strijder
[zoals reeds opgemerkt een legitieme voorwaarde tot berechting
voor een militair tribunaal].
Een en ander impliceert discriminatie
tussen Amerikaanse en niet-Amerikaanse burgers, die in dezen
resulteert in rechtsongelijkheid ten nadele van niet-Amerikaanse
burgers, hetgeen in strijd is met het internationaal-rechtelijke
gelijkheidsprincipe in dezen.
c) De berechting van burgers door de
militaire tribunalen:
Niet alleen is hier sprake van ongelijkheid
in behandeling tussen Amerikaanse en niet-Amerikaanse burgers,
die tot dezelfde categorie verdachten behoren [niet-erkende
strijders, verwikkeld in een militair conflict met de VS],
daarenboven schuilt in de toepassingsmogelijkheden van de
militaire tribunalen eveneens gevaar voor in de VS wonende
niet-Amerikaanse burgers, die geen strijders geweest zijn
en wiens betrokkenheid bij enig gewapend conflict uiterst
twijfelachtig is.
Zo kan in principe een niet-Amerikaanse
burger, die in het verleden een financiële bijdrage
heeft gedaan aan Al-Qaeda of een volgens de VS aan Al-Qaeda
gelieerde organisatie onder de beschuldiging ''hulp aan
de vijand'' eveneens vervolgd worden volgens de toegekende
rechts bevoegdheden van de militaire tribunalen zonder de
mogelijkheid van vervolging door een burgerlijke rechtbank.
d) De beperking van het recht op inzage
van het bewijs:
Eveneens is het de militaire tribunalen
voorbehouden de verdachte uit te sluiten van inzage in bewijsmateriaal
tegen hem en het echt bij getuigenis tegen hem aanwezig
te zijn, hetgeen niet alleen zijn recht op een optimale
waardoor niet alleen zijn recht op een optimale verdediging
kan worden belemmerd, maar hetgeen eveneens in strijd is
met de Amerikaanse militaire wetgeving, die de aanwezigheid
van verdachte wel toestaat.Eveneens kan in sommige gevallen
de door hem eventueel ingehuurde burgerlijke advocaat de
toegang ontzegd worden.
e) Recht op beroep bij een burgerlijke
rechtbank
Welhaast de ernstigste schending van de
rechten van verdachte is wel zijn recht op beroep bij een
onafhankelijke burgerlijke rechtbank, hetgeen wel is toegestaan
volgens de Amerikaanse militaire wetgeving. Zijn enige recht
op beroep is bij de Amerikaanse minister van Defensie, Rumsfeld.
Aangezien hier sprake is van een militair
tribunaal, waarvan bovendien de samenstelling is bepaald
door de Amerikaanse minister van Defensie zelf, is hier
ernstige schending van de rechten van verdachte op een objectieve
en onafhankelijke herbeoordeling van zijn zaak.
f) Gebrek aan juridische kennis
Welhaast even ernstig als de hierboven
genoemde schendingen van de rechten van de verdachten is
het evident aanwezige gebrek aan juridische kennis bij de
leden van het militair tribunaal en hun te betwijfelen objectiviteit
in dezen. In de eerste plaats bleek bij de eerste zitting
van het tribunaal in augustus, waarbij vier mensen terechtstonden,
dat niet alle leden van het tribunaal een juridische opleiding
hadden genoten, noch voldoende op de hoogte waren van het
geldende oorlogsrecht.
Het is uiteraard evident, dat een en ander
een ernstige schending is van de rechten van de verdachten
op een gedegen behandeling van hun zaak waarvoor juridische
kennis wel een van de basisvoorwaarden is.
In de tweede plaats bleek, dat een aantal
leden van het tribunaal in het verleden had deelgenomen
aan oorlogshandelingen in Afghanistan, hetgeen uiteraard
belemmerend was voor een objectieve beoordeling van verdachten.
Zitting tegen Hicks:
Dit gebrek aan juridische kennis deed
zich opnieuw voor tijdens de eerste zitting tegen de Australier
David Hicks, die reeds tweeenenhalf jaar op Guantanamo was
gedetineerd, grotendeels in eenzame opsluiting en werd beschuldigd
van samenzwering bij het legen van oorlogsmisdaden, poging
tot moord en het bieden van hulp aan de vijand.
Twee van de drie tribunaalleden bleken
niet alleen geen juridische opleiding gehad te hebben, maar
daarenboven een gebrek aan kennis ten toon te spreiden ten
aanzien van de meest elementaire juridische begrippen, waardoor
er een aantal keren sprake was van willekeurig en zelfs
procedureel onrechtmatig handelen, zoals geconstateerd door
een juridisch geschoolde waarnemer van de mensenrechtenorganisatie
Human Rights Watch. Het gevolg was, dat op verzoek van zijn
advocaten de start van het proces is verdaagd van januari
tot maart 2005. Het behoeft geen betoog, dat een dergelijk
gebrek aan juridische kennis, gecombineerd met een gebrek
aan objectiviteit, voor de desbetreffende verdachten zeer
ernstige gevolgen kan hebben.
D) De militraire rechtbanken versus het
Amerikaanse rechtssysteem:
Het is echter belangrijk te constateren,
dat door een aantal uitspraken van Amerikaanse rechters
de willekeur en rechtsongelijkheid, althans betreffende
de militaire tribunalen, in belangrijke mate is ingedamd.
Zo is recentelijk een van de bepalingen van de militaire
tribunalen, waardoor de doorgaans vertrouwelijke gesprekken
tussen verdachte en advocaat zouden mogen worden gemonitored
door Amerikaanse militaire autoriteiten, verboden.
Welhaast de belangrijkste juridische uitspraak
die tot nu toe door een Amerikaanse rechter gedaan is ten
aanzien van deze militaire tribunalen is de uitspraak dd
8-11 2004 in de zaak betreffende Salim Ahmed Hamdan, die
ervan werd beschuldigd de chauffeur van Osama bin Laden
te zijn geweest. De rechter van het Federale Gerechtshof
in Columbia besloot, dat Hamdan beschouwd moest worden als
een krijgsgevangene, hetgeen zoals bekend tot nu toe door
de Amerikaanse Overheid was geweigerd aan Guantanamo-gevangenen.
Hierdoor had hij volgens de Amerikaanse
militaire wetgeving, volgens welke krijgsgevangenen berecht
worden, zowel het recht op inzage in alle bewijsmateriaal
als het aanwezigheidsrecht bij alle zittingen van het tribunaal,
met name ten aanzien van hem afgelegde getuigenverklaringen,
hetgeen volgens de bepalingen van de militaire tribunalen
niet is toegestaan.
Verder bepaalde het Federale Gerechtshof,
dat de zittingen van de militaire tribunalen werden opgeschort
totdat de reglementen dienaangaande werden gewijzigd en
Hamdan toestemming was gegeven tot inzage in het bewijsmateriaal
en het bijwonen van alle zittingen van het tribunaal.
Met deze door de rechter gedane uitspraak
is een belangrijk precedent geschapen, dat als gevolg kan
hebben, dat de Amerikaanse Overheid alsnog wordt verplicht
tot het naleven van het Internationaal Recht met betrekking
tot de gevangenen in Guantanamo, hetgeen niet alleen van
groot belang is voor hun elementaire rechten, maar tevens
beschouwd kan worden als het begin van het herstel van de
sinds 11 september steeds verdergaande erosie van het rechtssysteem.
(Bron: Uitpers, januari 2005)
|