Verzet groeit in Zuid-Irak
BAGDAD, 21 januari 2007 - De grond wordt
de buitenlandse troepen in het zuiden van Irak heet onder
de voeten. Sjiitische stammen leveren nieuwe verzetsstrijders
die Britse en andere troepen almaar zwaardere verliezen
toebrengen.
De toestand in Zuid-Irak escaleert al
een half jaar. Sinds juni zijn er al minstens 24 Britse
soldaten omgekomen. Zoveel slachtoffers vielen er in dat
deel van Irak vroeger nooit bij de buitenlandse troepen
De aanvallen lijken voort te komen uit
toenemend nationalisme. "Dit heeft niets met wraak
te maken", zegt een voormalige Iraakse legerofficier
uit Kut, 200 kilometer ten zuiden van Bagdad. "De mensen
geloven niet meer in de beloften van de bezetters en ze
willen het land vrijwaren van Iraanse invloed. Die invloed
wordt gedoogd of zelfs gesteund door de internationale troepenmacht."
Britse en Amerikaanse leiders blijven
vaag over wie hun troepen in het zuiden onder vuur neemt.
Ze hebben het alleen over "terroristen" of wijzen
het Mehdi-leger van de sjiitische leider Moqtada al-Sadr
aan als enige bron van onrust.
Die strijders voeren zeker aanslagen uit,
maar het lijkt erop dat er ook andere verzetslegers ontstaan.
Die worden ook door veel oudere herinneringen gedreven.
"De mensen hier hebben de Britse
en Amerikaanse bezetting altijd gehaat", zegt Jassim
al-Assadi, een schooldirecteur uit Kut. "Die roept
herinneringen wakker aan hun grootvaders die het met eenvoudige
wapens opnamen tegen Britse troepen van weleer." Dat
verzet van de sjiieten droeg ertoe bij dat de Britse koloniale
troepen in de jaren 20 en 30 uit Irak werden gedreven.
Na de val van Saddam Hoessein bleef het
verzet tegen de invasiemacht van Amerikanen en Britten aanvankelijk
beperkt in het zuiden van Irak. Religieuze leiders overtuigden
hun volgelingen de buitenlandse troepen tijd te geven om
de beloften van de Amerikaanse en de Britse regering uit
te voeren. "Maar nu luisteren ze niet meer naar de
molla's. Ze zijn gewoon begonnen te vechten", zegt
al-Assadi.
De bezettingsmacht speelt onder één
hoedje met de doodseskaders die een wig drijven tussen sjiieten
en soennieten in Iran, denkt een politieke analist uit Bagdad
die W. al-Tamimi wil genoemd worden. "Wij hoopten nog
op verzoening, maar we zagen hoe Amerikanen en Britten de
doodseskaders in het hele land steunden."
Volgens Al-Tamini staat de sjeik van zijn
stam, die bestaat uit sjiietenen en soennieten, onder druk
van de jongeren in de gemeenschap die zich willen aansluiten
bij het verzet.
De groeiende macht van de rebellen in
het zuiden is al een half jaar onmiskenbaar. In augustus
verlieten The Queen's Royal Hussars,
een regiment van 1.200 Britse soldaten, in allerijl hun
drie jaar oude basis in Zuid-Irak nadat ze al een tijd met
raketten en mortieren waren beschoten.
Diezelfde maand werd sjeik Faissal al-Khayoon
vermoord, de leider van de belangrijke sjiitische stam Beni
Assad. De daders waren waarschijnlijk lid van doodseskaders
die gesteund worden door Iran. Stamleden zelf geloven dat
de moordenaars werkten voor het Iraakse ministerie van Binnenlandse
Zaken in Basra.
De volgelingen van Khayoon reageerden
prompt. Ze blokkeerden straten en bezetten overheidsgebouwen
en staken het Iraanse consulaat in Basra in brand.
Beni Tamim is nog een andere stam met
soennitische en sjiitische leden. Op 1 januari van dit jaar
werd hun leider, sjeik Hamid al-Suhail vermoord, volgens
de leden door het Mehdi-leger. Volgens de stam worden die
rebellen gefinancierd door Iran. "Iran zit achter dit
alles", zegt een van de neven van Hamid al-Suhail.
De meeste leiders van de stammen
in het Zuiden proberen de brokken tussen sjiieten en soennieten
te lijmen. (IPS, Dahr Jamail
en Ali al-Fadhily)
|