|
Gezocht: een scenario voor Irak
Januari 2007 - De publicatie van twee
rapporten heeft er voor gezorgd dat Irak opnieuw in het
hart ligt van de politieke discussie in Washington. Het
eerste rapport is afkomstig van de Iraq Study Group onder
leiding van oud-minister van Buitenlandse Zaken, James
Baker en Lee Hamilton, een voormalig lid van het Amerikaans
Congres.(1)
Het bevat 79 aanbevelingen bevat die samen
neerkomen op grondige koerswijziging van de Amerikaanse
politiek in Irak. Het tweede rapport is afkomstig van het
Pentagon en concludeert amper enkele weken na het verschijnen
van het Baker-Hamilton rapport, dat de situatie op het terrein
nooit eerder zo desastreus was.(2)
Vooral het rapport van het eminente 10-koppige
Baker-Hamilton panel - netjes verdeeld over Democraten en
Republikeinen - dat in de lente van 2006 zijn werkzaamheden
opstartte, heeft veel discussie losgeweekt in de Amerikaanse
media. De onderhuidse boodschap van het rapport is immers
niet mis te verstaan. Washington heeft over de hele lijn
gefaald en moet dringend van koers veranderen. De auteurs
van het rapport hebben twee soorten van aanbevelingen: een
externe benadering en een interne. In grote lijnen gaat
het om een batterij diplomatieke maatregelen - een Nieuw
Diplomatisch Initiatief - en het terugtrekken van
de gevechtseenheden tegen afhankelijk van de omstandigheden
het eerste kwartaal van 2008.
Praten met Syrië en Iran
Het diplomatieke offensief bestaat er
uit om onmiddellijk een Internationale
Steungroep voor Irak op te richten waarin alle regionale
spelers een plaats moeten krijgen die op een of andere manier
het conflict kunnen beïnvloeden. Opmerkelijk is dat
de auteurs vinden dat ook Iran en Syrië betrokken moeten
worden bij de Irak-discussie en dat "zonder voorwaarden
te stellen." Iran oefent niet alleen invloed uit op
het sjiitische deel van Irak, maar steunt ook verschillende
sjiitische milities, aldus het rapport. Syrië steunt
evenzeer opstandelingen zo luidt het, maar de opportuniteit
voor de VS ligt in het feit dat het zich bedreigd voelt
door een mogelijke sektarische opdeling van Irak. Dat onderhandelen
met Iran en Syrië controversieel is, zoals de auteurs
zelf stellen, blijkt uit de sterke afwijzing van dit idee
door de huidige minister van Buitenlandse Zaken. Condoleezza
Rice vindt dat Washington beide pariastaten juist moet isoleren.
De Studiegroep heeft ook stevige kritiek uit Israël
gekregen met hun aanbeveling om de Golanhoogte aan Syrië
terug te geven en de koppeling aan de Palestijnse zaak.
Het rapport vindt het noodzakelijk dat er rust komt in de
Israëlisch-Arabische betrekkingen wat betekent dat
de vredesonderhandelingen terug moeten worden opgestart
gebaseerd op VN-resoluties 242 en 338 (die stellen dat Israël
zich uit de Palestijnse gebieden moet terugtrekken). Er
wordt zelfs verwezen naar een oplossing voor de Palestijnse
vluchtelingen, iets waar in de VS zelden aandacht voor is.
Addertje onder het gras is dat er alleen kan gepraat worden
met die Palestijnse fracties die het bestaansrecht van Israël
erkennen. Een van de aanbevelingen stelt trouwens dat Fatah-leider
Mahmoud Abbas moet gesteund worden.
Minder vechten, meer steunen
Op het militaire terrein vraagt het rapport
dat de VS het legerapparaat heroriënteren van gevechtstaken
naar vooral ondersteunende taken. Dat betekent dat substantieel
meer Amerikaans militair personeel van 4.000 naar
10 tot 20.000 - ingebed wordt bij de Iraakse troepen om
deze bij te staan met advies, gevechtsondersteuning en steun
aan de Staf. Het gros van de gevechtseenheden moet over
anderhalf jaar teruggetrokken worden, op snelle-reactie-teams
en speciale operatieteams na. Deze moeten zich enkel nog
toeleggen op de strijd tegen Al Qaida in Irak en vitale
missies.
Nog opmerkelijk is het standpunt om een
einde te maken aan de de-Baathificatie en met
uitzondering van de topfiguren onder Saddam Hoessein moet
gekwalificeerd personeel aangemoedigd worden
om terug hun posities in de regering in te nemen. De Iraakse
regering moet duidelijk maken dat er een plaats is voor
soennieten in het nationale leven.
Beperken van de schade
Het rapport is geen wondermiddel, zo stellen
de auteurs, "er is geen weg die succes garandeert,
maar de vooruitzichten kunnen worden verbeterd". De
auteurs lijken te beseffen dat de oorlog niet te winnen
valt en er moet teruggeplooid worden om de schade te beperken.
Het rapport komt er kort nadat de Amerikaanse publieke opinie
in de jongste verkiezingen zijn afkeuring liet blijken voor
de falende oorlog in Irak. President Bush staat dus hoe
dan ook onder druk om de strategie in Irak te herbekijken
en de aanbevelingen van de Irak Studiegroep minstens ernstig
te nemen. Er zijn echter veel stemmen waarnaar hij zal moeten
luisteren. De neoconservatieven die nog altijd over een
grote invloed beschikken in het Witte Huis hebben het tegenoffensief
al ingezet. De American Enterprise Institute (AEI), een
conservatieve denktank die een van de invloedrijkste pleitbezorgers
was voor de invasie in Irak, bracht al een eigen rapport
uit onder de veelzeggende titel Choosing Victory:
a plan for Succes in Iraq waarin de aanbevelingen
van Baker en co als catastrofaal worden gezien voor de vitale
belangen van de VS. Voor de AEI is het probleem niet de
huidige koers, wel het gebrek aan overtuiging en middelen
om het huidige beleid te doen welslagen. Dat betekent onder
meer juist meer gevechtstroepen.
Los van dergelijke voorspelbare kritiek
blijft de vraag naar de werkelijke betekenis van het rapport.
De terugtrekking van de troepen lijkt op een eerste stap
naar het beëindigen van de bezetting, maar de Amerikaanse
aanwezigheid wordt niet als bezetting omschreven. De Studiegroep
toont zich bezorgd over de algemene staat van het Amerikaanse
leger die door de herhaalde ontplooiing in Irak een breaking
point heeft bereikt als gevolg van het grote aantal
slachtoffers (3.000 doden en 21.000 gewonden), de moeilijkere
rekrutering en de slijtage van het militair materieel. De
auteurs refereren uitdrukkelijk aan de nood naar meer troepen
in Afghanistan, wat mogelijk wordt gemaakt door een gedeeltelijke
terugtrekking uit Irak. Aanbeveling 18 laat aan duidelijkheid
niets te wensen over: "Het is uitermate belangrijk
voor de VS om te voorzien in bijkomende politieke, economische
en militaire steun voor Afghanistan, met inbegrip van middelen
die zouden kunnen vrijkomen indien gevechtstroepen uit Irak
worden teruggetrokken."
Het einde van de bezetting?
Blijft de hamvraag: opent het rapport
het debat over het begin van het einde van de bezetting?
In aanbeveling 40 luidt het dat de VS geen open-ended
commitment (oneindig engagement) kunnen aangaan om
"grote aantallen Amerikaanse troepen in Irak te ontplooien."
Nergens wordt er in het rapport gewag van gemaakt dat er
ooit wel eens een einde komt aan de Amerikaanse militaire
aanwezigheid in Irak. Aanbeveling 20 zegt dat de Verenigde
Staten geen permanente militaire basissen nastreven, maar
als de Iraakse regering daarom verzoekt kan dat overwogen
worden. Bovendien zwijgt het in alle talen over de ontmanteling
van de vier bestaande permanente basissen die nu al in gebruik
zijn.
Zowel op vlak van veiligheid als op vlak
van nationale verzoening en goed bestuur de zogenaamde
milestones die de Iraakse premier Al-Maliki zelf heeft
uitgezet - vraagt het rapport een grotere verantwoordelijkheid
van de Iraakse regering. Wat op het eerste gezicht lijkt
op het overdragen van meer autonomie aan de Irakezen is
in werkelijkheid ingegeven vanuit de bekommernis om de Amerikaanse
aanwezigheid te ontlasten, zonder daarbij af te zien van
de eigen prioriteiten. In het rapport weerklinkt geregeld
dat koloniale ondertoontje. Als de Iraakse regering geen
vooruitgang boekt met betrekking tot de milestones
dan moeten de VS hun steun verminderen (aanbeveling 21).
Of nog dreigender: "Amerikas veiligheidsnoden
en de toekomst van onze militairen kunnen niet gegijzeld
worden door de acties of inactiviteit van de Iraakse regering".
Nu de situatie in Irak uit de hand loopt,
is het bon ton geworden om de schuld van alles wat er fout
loopt vooral in de schoenen van de Irakezen te schuiven.
Het is de Iraakse regering die onvoldoende werk maakt van
de nationale verzoening, hoewel het VS-administrator
Paul Bremer was die het hele politieke, administratieve
en militaire Baath-apparaat liet ontmantelen. Diezelfde
Bremer heeft de huidige opdeling aangemoedigd door posten
te verdelen langs etnische en religieuze lijn. Het was evenzeer
onder Bremer dat de politieke vrijheid sterk aan banden
werd gelegd. Zij die zich kritisch uitlieten over de bezetting
werden ervan beschuldigd terug te willen keren naar het
oude regime. Onder Bremer vielen Amerikaanse soldaten binnen
in de kantoren van een nieuwe onafhankelijke vakbond en
arresteerden de aanwezigen.
Terwijl het rapport de mond vol heeft
van goed bestuur en het beëindigen van de corruptie
door de Iraakse regering doet het zeer vaag gebrek
aan coördinatie - over de wijze waarop de VS
zich bezondigen aan lucratieve corrupte - toewijzing
van contracten aan vooral Amerikaanse bedrijven. Hoe onafhankelijk
Irak binnenkort mag worden blijkt uit het hoofdstuk
en de praktijk over de petroleumindustrie. Hoewel
er problemen zijn met de lokale energiebevoorrading en de
koopkracht van Irakezen sterk is afgenomen stelt het rapport
dat de VS in samenwerking met het Internationaal Monetair
Fonds Irak ertoe moeten bewegen om verder de subsidies in
de energiesector af te bouwen (aanbeveling 62). Zeer tot
ongenoegen van onder meer de Koerden pleit het rapport voor
een grotere centralisering van de olieproductie met garanties
voor een evenwichtige verdeling over de verschillende regios.
Het Arabisch-soennitische midden van het land is immers
oliearm en wil daardoor een sterk centraal gezag op olieontginning
behouden. De vraag is of de gelijke toegang de belangrijkste
bekommernis is van het team Baker-Hamilton dat de privatisering
van de olie-industrie en een grotere rol voor internationale
energiebedrijven vraagt, wat moet leiden tot een grotere
olieproductie van 3 tot 3,5 miljoen barrels per dag. Vooral
de aanbeveling om de beste praktijken te hanteren in het
afsluiten van oliecontracten klinkt weinig geloofwaardig
in de huidige context waarbij de oliemultinationals via
het systeem van Product Sharing Agreements (PSAs)
het eigen risico sterk inperken terwijl er toch buitengewoon
grote winsten worden gegarandeerd. Het Duitse maandblad
Der Spiegel (25 december 2006) zegt dat de Iraakse regering
vooruitlopend op de aanbevelingen in grote
beslotenheid de laatste hand legt aan een nieuwe petroleumwet
die private oliebedrijven een grotere controle zal geven
op de Iraakse oliereserves. Volgens Der Spiegel moet een
vlugge petroleumwetgeving garanderen dat Westerse oliebedrijven
de contracten binnenrijven vooraleer Chinese, Indische en
Russische bedrijven dat doen.
Crisis in het Pentagon
De oorlog in Irak heeft een enorme impact
op het Amerikaans militair apparaat dat in een crisissfeertje
baadt. Luitenant-Generaal Peter Schoonmaker, de Amerikaanse
stafchef, vertelde in het Congres dat de langdurige aanwezigheid
in Irak en Afghanistan in combinatie met de restricties
op het gebruik van de Reserve en de Nationale Garde, een
verwoestend effect heeft op de militaire paraatheid. De
generaal deed zijn uitspraak enkele dagen voor het verschijnen
van het Pentagonrapport dat een zeer negatieve balans maakt
van de bezetting in Irak. Het aantal aanslagen op Amerikaanse
en Iraakse doelen is de laatste drie maanden drastisch gestegen
tot 959 per week, een verdubbeling in vergelijking met vorig
jaar. Meer dan tweederde van de aanvallen is gericht op
Amerikaanse en Iraakse troepen, hoewel het grootste aantal
slachtoffers valt te betreuren onder de burgerbevolking.
Dat neemt niet weg dat er aan Amerikaanse zijde elke dag
25 slachtoffers vallen, doden en gewonden, een stijging
van 32 procent in vergelijking met het vorige kwartaal.
Zoals de Studiegroep van Baker en Hamilton al aanwees heeft
dit een groot effect op het operationeel potentieel van
het VS-leger.
Het blijvend onvermogen om militair orde
op zaken te stellen in Irak verhindert niet dat het Congres
jaar op jaar zonder problemen de budgetten die de regering
Bush vraagt om de oorlog in Irak en Afghanistan te financieren
goedkeurt. Sinds 11 september 2001 gaat het al over 500
miljard dollar in totaal, inclusief de operaties gelieerd
aan de strijd tegen het terrorisme. Op dit ogenblik ligt
er een nieuwe vraag klaar voor nog eens een extra 100 miljard
dollar. Daarmee overstijgen de uitgaven die van Vietnam
die na aanpassing aan inflatie 549 miljard dollar bedroegen.
Als antwoord op de crisis in het militaire
apparaat, heeft President Bush de nieuwe minister van Defensie,
Robert Gates, gevraagd een plan uit te werken om het troepenaantal
te verhogen. Daarmee komt hij tegemoet aan een oude vraag
van de Democraten. Presidentskandidaat John F. Kerry stelde
in 2004 al een vermeerdering van het troepenaantal voor
met 40.000 tijdens zijn campagne. President Bush wees dat
toen nog af, maar is nu bijgedraaid omdat de extratroepen
nodig zijn om de strijd aan te binden tegen islamitische
extremisten over heel de wereld en niet alleen in
Irak.(3) Hij schat in dat de "ideologische oorlog waar
we inzitten nog lange tijd zal duren". Bush sluit niet
uit dat hij tijdelijk extra-troepen zal inzetten in Irak
(15 tot 30.000 voor een periode van 6 tot 8 maanden), wat
trouwens niet in tegenspraak is met de aanbevelingen van
de Irak Studiegroep, die een tijdelijke verhoging van het
aantal troepen kan aanvaarden indien het gaat om de orde
te herstellen in Bagdad en de woelige provincie Anbar.
De politieke elite in de VS is het er
over eens dat er het Amerikaans leger extra troepen nodig
heeft. Senator en presidentskandidaat (voor 2008) Hillary
Clinton heeft samen met andere Democratische senatoren een
voorstel ingediend om het aantal troepen de komende vier
jaar uit te breiden met 80.000 eenheden. Volgens berekeningen
van het leger kost elk uitbreiding met 10.000 troepen 1,2
miljard dollar.
Deze nieuwe versterkingen brengen op korte
termijn weinig soelaas. Het duurt immers nog tot in 2008
voordat deze nieuwe rekruten getraind en gevechtsklaar zijn
gemaakt. De oorlog in Irak eist duidelijk zijn tol en wordt
langzamerhand onbetaalbaar. Alleen al daarom heeft President
Bush goed geluisterd naar de voorstellen van Baker en Hamilton,
maar van harte is het niet. Het is noodgedwongen dat hij
zijn slogan we winnen moest herzien in we
winnen, noch verliezen. In de komende weken zullen
we vernemen wat het antwoord is van Bush op het rapport.
(Ludo De Brabander, Uitpers, januari 2007)
Noten:
(1) James A. Baker, III and Lee H. Hamilton.
The
Iraq Study Group Report. December 2006
(2) Pentagon. Measuring
Security and Stability in Iraq. December 2006
(3) Washington Post, 20 december 2006
|