|
Colombia staat terecht voor moord op
communistisch leider
BOGOTA, 22 januari 2010 - Het Inter-Amerikaans
Hof voor de Mensenrechten buigt zich volgende week over
de moord op het communistische boegbeeld Manuel Cepeda Vargas.
De Colombiaanse senator werd in 1994 vermoord. Volgens voormalige
kopstukken van paramilitaire groepen was een voormalig topmedewerker
van president Álvaro Uribe daarbij betrokken.
In de zaak, die op 26 en 27 januari voorkomt
in de Costa Ricaanse hoofdstad San José, zit de Colombiaanse
staat in de beklaagdenbank.
Manuel Cepeda Vargas leidde achttien jaar
het communistische weekblad Voz en werd in 1991 verkozen
als senator voor de Unión Patriótica (UP).
De partij werd letterlijk uitgeroeid. Honderden militanten
en politici, onder wie twee presidentskandidaten, werden
vermoord door paramilitairen, drugstrafikanten en militairen.
In december 2008 besliste de Inter-Amerikaanse
Commissie voor Mensenrechten de Colombiaanse staat voor
het Inter-Amerikaans Hof te brengen voor de moord op Cepeda.
Enkele dagen later veroordeelde de Raad van State in Colombia
de Colombiaanse staat tot het betalen van een zware schadevergoeding
aan de familie Cepeda.
FARC
De UP was in 1985 ontstaan als gevolg
van akkoorden met de regering van Belisario Betancur. Het
moest een politieke uitweg bieden uit de gewapende strijd
van de FARC-rebellen. Verscheidene stromingen sloten zich
bij de UP aan, vooral de Communistische Partij, waartoe
Manuel Cepeda Vargas behoorde.
Iván Cepeda, zoon van de vermoorde
leider en woordvoerder van de Beweging van Slachtoffers
van Misdaden van de Staat, weigert het geld aan te nemen
en eist dat de identiteit van de intellectuele daders wordt
bekendgemaakt.
Destijds bestonden minstens twee plannen
om de UP-leden uit te schakelen: "Rode dans" en
"Genadeslag". Het is tijdens die laatste operatie
dat Cepeda vermoord werd. Het openbaar ministerie zegt dat
een groep van militairen en paramilitairen de senator vermoordde.
Dat gebeurde op straat vlakbij zijn huis in Bogota. Twee
onderofficieren van het leger zaten korte tijd in de gevangenis
voor de moord.
Inlichtingendienst
Een voormalige paramilitaire leider, Diego
Fernando Murillo, alias Don Berna, verklaarde dat José
Miguel Narváez in 1994 de paramilitairen de opdracht
had gegeven Cepeda uit te schakelen. Narváez werd
later onderdirecteur van DAS, de inlichtingendienst die
rechtstreeks van president Álvaro Uribe afhangt.
Narváez zit nu in de gevangenis.
Hij wordt ook verdacht van betrokkenheid bij de oprichting
in 2003 van G-3, een spionage- en intimidatienetwerk dat
onder meer tegen magistraten en mensenrechtenactivisten
werd ingezet.
Communisten doden
Volgens Salvatore Mancuso, een andere
paramilitaire chef, kwam Narváez van 1998 tot 2002
verschillende malen in paramilitaire kampen duidelijk maken
dat het legitiem was om communisten te doden in Colombia.
Narváez gaf toen les aan de militaire school van
Colombia. "De man die de democratische en vredesidealen
moest verspreiden bij de Colombiaanse legerofficieren, kwam
meermaals bij Carlos Castaño en mij om ons te tonen
hoe we de communisten moesten bestrijden", zegt Mancuso.
Carlos Castaño, een centrale figuur
bij de extreemrechtse paramilitaire groepen in Colombia,
verklaarde in 2002 dat hij reserves had bij het extremisme
van Narváez. "Hij denkt dat het allemaal guerrillero's
zijn", zou Castaño aan Mancuso gezegd hebben.
Castaño werd in 2004 vermoord.
In het boek Mijn bekentenis, in 2002 geschreven door journalist
Mauricio Aranguren, zegt Castaño dat er een kleine
harde kern bestond waarin de machtigste personen van het
land beslisten wie wel en wie niet vermoord zou worden.
(IPS)
|