|
Amerikaanse bedrijven krijgen vrij spel
tijdens campagnes
WASHINGTON, 22 januari 2010 - Het Amerikaanse
Hooggerechtshof heeft brandhout gemaakt van een bepaling
die de steun van bedrijven voor verkiezingscampagnes inperkt.
Zo'n beperking is een inbreuk op het recht op vrije meningsuiting,
oordeelt het hof.
"Als de overheid haar volledige macht
wil gebruiken, inclusief de strafwet, om op te leggen waar
een persoon zijn of haar informatie mag halen of welke bron
hij of zij niet mag horen, dan gebruikt het censuur",
schreef rechter Anthony Kennedy in een opinie die gevolgd
werd door vier van zijn meest rechtse collega's, waaronder
opperrechter John Roberts. "Dat is onwettig".
Banken en bedrijven
De overheid mag volgens Kennedy weliswaar
bepaalde voorwaarden stellen aan de politieke boodschappen
van bedrijven, maar het mag de boodschappen op zichzelf
niet onderdrukken. Critici van die beslissing, waaronder
president Obama, noemen de uitspraak een ernstige bedreiging
voor de gezondheid van de Amerikaanse democratie.
"Met de uitspraak van vandaag heeft
het Hooggerechtshof groen licht gegeven voor een nieuwe
overrompeling van onze politiek door geld uit belangengroepen",
reageerde Obama, die zelf nog grondwettelijk recht doceerde
aan de Universiteit van Chicago. "Het is een grote
overwinning voor oliebedrijven, banken in Wall Street, verzekeringsfirma's
in de gezondheidszorg en andere machtige groepen die hun
macht gebruiken om de stem van de gewone Amerikaan weg te
drukken." Obama wil samenwerken met het Congres om
een stevige repliek te bedenken op het vonnis.
Ook Fred Wertheimer, een van de belangrijkste
burgerrechtenactivisten in het land, noemt het vonnis "een
ramp voor het Amerikaanse volk." Hij vreest dat nooit
geziene hoeveelheden geld de verkiezingen zullen beïnvloeden
en dat bedrijven invloed zullen kunnen kopen. "Het
zal bedrijven naar een nieuw niveau van macht tillen in
ons politiek systeem."
Lange strijd
De Verenigde Staten proberen al lang om
de invloed van de bedrijven op het politieke proces te beperken.
Een eeuw geleden al besliste het Congres onder Theodore
Roosevelt om bedrijven te verbieden federale kandidaten
rechtsreeks financieel te steunen. Maar door een aantal
achterpoortjes bleef die ingreep grotendeels dode letter.
Pas na het Watergateschandaal besliste het Congres de Federal
Election Commission (FEC) op te richten, die waakt over
de bijdragen van bedrijven.
Als antwoord daarop begonnen bedrijven,
vakbonden en andere groeperingen zogenaamd "zacht geld"
uit te geven, dat vaak gebruik wordt om attack ads te publiceren:
reclamefilmpjes die de tegenkandidaat onderuit moeten halen.
Daarom keurde het Congres in 2002 de Bipartisan Campaign
Reform Act goed, die de toevloed van zacht geld aan banden
moet leggen. De wet verbiedt het uitzenden van reclamefilmpjes
die betaald zijn door bedrijven of vakbonden voor of tegen
bepaalde kandidaten in de aanloop naar verkiezingen.
De zaak kwam voor het Hooggerechtshof
door een spotje van de rechtse lobbygroep Citizens United,
die in 2008 een negentig minuten durende film over Hillary
Clinton gemaakt had in aanloop naar de voorverkiezingen.
De FEC vond dat de uitzending in strijd was met de nieuwe
wet uit 2002, maar Citizens United trok naar de rechtbank.
Met uitzondering van John McCain juichten
de Republikeinen de uitspraak van het hof toe. Democraten
hebben er geen goed woord voor over. "Waar het uiteindelijk
om gaat, is dat het Hooggerechtshof beslist heeft wie de
volgende verkiezingen wint", zegt Senator Charles Schumer.
"Het zullen niet de Republikeinen of Democraten zijn,
en het zal niet het Amerikaanse volk zijn, maar de grote
Amerikaanse bedrijven." (IPS)
|