|
In Afghanistan beschermen we opiumbaronnen
1 februari 2006 - Afghanistan is in wederopbouw.
Het is om die wederopbouw te ondersteunen dat België
en Nederland daar militairen hebben. Die militairen ondersteunen
ook een regime dat presidents- en parlementsverkiezingen
heeft gehouden en dus democratische geloofsbrieven kan voorleggen.
Tot daar de theorie. In de praktijk blijkt steeds duidelijker
dat de krijgsheren aan de touwtjes trekken. Een van de gevolgen
is wijdverbreide corruptie, een ander de onstuitbare bloei
van opiumproductie en handel. Worden de Afghanen hier beter
van?
"Zonder goed bestuur geen veiligheid.
En hoe kunnen we van een goed bestuur spreken met een administratie
die zo corrupt is en zwaar aangetast is door drugsgeld?",
aldus een verantwoordelijke van een ngo in le Monde (28-1-'06).
Het is niet alleen in kringen van ngos dat dergelijke
opmerkingen vallen.
De onveiligheid is ondanks de aanwezigheid
van buitenlandse troepen, waaronder Belgische [Nederlandse],
sterk toegenomen. Na de val van het Talibanbewind eind 2001
bleven delen van het zuiden en oosten, waar vooral Pathanen
wonen, onveilig. Nu werkt er in die gebieden niets meer.
Volgens VN-bronnen is er in het zuiden geen enkele school
meer open en is de staat in 80 procent van dat zuiden volledig
afwezig.
Krijgsheren
Waar de rest van het land nog relatief
rustig was, verandert dat ook snel. Vooral in het noorden
raken benden van krijgsheren weer slaags met elkaar, zo
staat in het jongste rapport van Jean Arnault, chef van
de VN-diensten, aan de Veiligheidsraad van de VN.
Nochtans was er een grote operatie onder
VN-toezicht geweest om al die benden te ontwapenen en leden
ervan in het regeringsleger in te schakelen. Dat lijkt nu
vooral een operatie van public relations te zijn geweest,
want een VN-verantwoordelijke heeft het over 120.000 tot
180.000 gewapende militieleden die in een nieuw programma
zouden moeten worden ontwapend. Men kan zich afvragen waaruit
dat eerste programma dan wel heeft bestaan.
Opium
De toenemende onveiligheid en de bloei
van de milities hebben veel, zeer veel, te maken met de
belangrijkste tak van de Afghaanse economie: de opiumteelt
en de handel in opiumproducten. Met 4.100 ton opium was
Afghanistan vorig jaar weer veruit de grootste opiumproducent
van de wereld, volgens sommige VN-schattingen tot 87 procent
van de wereldoogst.
Wat een verschil met het jaar 2001, het
laatste jaar van het Talibanbewind. De Taliban hadden na
hun machtsovername in 1996 die opiumteelt onaangeroerd gelaten.
Maar onder druk van VN-sancties (blokkering van buitenlandse
tegoed, verbod van vluchten e.d.) hadden de Taliban die
opiumteelt uitgeroeid. Waarmee alvast was bewezen dat het
kan als de politieke wil er is.
Is die wil er nu dan niet? De druk van
de "internationale gemeenschap" is in theorie
zeer groot. Maar in de praktijk ligt dat enigszins anders.
Die internationale gemeenschap trekt wel geld uit voor de
bestrijding van teelt en handel. Maar waar gaat dat geld
naartoe? Zeker niet naar de politiediensten die officieel
met die bestrijding zijn belast. Ze hebben geen enkel aangepast
materiaal, geen snuffelhonden en alleen zeer slecht betaald
personeel dat niet gemotiveerd is. Als ze al eens iemand
met een grote hoeveelheid opium betrappen, wordt die enkele
uren later op bevel van hogerhand weer vrijgelaten. Er wordt
dan ook zeer zelden iemand opgepakt.
In Washington werden de parlementsverkiezingen
van september 2005 toegejuicht als een bewijs van verregaande
democratie. Maar uit de lijst van gekozenen blijkt alweer
hoe de krijgsheren en hun omgeving dat parlement grotendeels
beheersen. En daar vele van die krijgsheren rechtstreeks
bij de opiumhandel zijn betrokken, ligt het voor de hand
dat van dit "democratisch orgaan" geen strijd
tegen de drugshandel kan worden verwacht. Minstens een kwart
van de parlementsleden zijn zelf drugshandelaars, daarnaast
zijn talrijke gouverneurs en lieden uit de omgeving van
president Hamid Karzai (onder wie een broer), rechtstreeks
bij die handel betrokken. De grootste privé-bank
van Kabul wordt mee gecontroleerd door een vooraanstaand
drugshandelaar.
Om zeker geen illusies te laten, staat
de regering de werking toe van de zogenaamde Senlis Council
die openlijk ijvert voor de legalisering van de opiumteelt
"voor medische doeleinden". Drugsbestrijders vinden
dat vooral erg omdat zo de boeren die opium verbouwen, de
indruk wordt gegeven dat ze in feite niet zo illegaal bezig
zijn.
Laksheid
Die laksheid van de internationale gemeenschap
staat wel in schril contrast met de houding vóór
eind 2001. Het Talibanbewind stond onder zeer zware druk,
met hard aankomende sancties, om onder meer een einde te
maken met de opiumteelt en handel wat het ook deed.
De vraag kan worden gesteld waarom diezelfde druk nu niet
wordt aangehouden. Washington suggereert dat het in privé-gesprekken
met Karzai druk uitoefent, maar blijkbaar zonder resultaat.
Dat is toch erg merkwaardig gezien de enorme Amerikaanse
militaire aanwezigheid die de VS de voorbije vier jaar al
meer dan 40 miljard euro heeft gekost.
Die laksheid tegenover het huidig bewind
heeft natuurlijk andere motieven. Niet de strijd tegen het
islamfundamentalisme, want in het bewind zelf zitten nogal
wat notoire obscurantisten. Trouwens, de VS hebben jarenlang
de meest extreme fundamentalisten met geld en wapens ondersteund.
De toenmalige favoriet uit de jaren 1980 tot midden van
de jaren 1990 was Gulbuddin Hekmatyar, een zeer extreme
islamist. De militie van die man zit nu in "het verzet",
samen met de Taliban en Al Qaida, twee groepen waarvan de
leiders (Osama bin Laden incluis) ook jarenlang op Amerikaanse
steun konden rekenen.
Voor Washington gaat het hier in de eerste
plaats, althans officieel, om de strijd tegen het "internationaal
terrorisme". Daar is op het terrein weinig van te merken.
Meer dan vier jaar na de oorlog zijn de leiders van dat
"internationaal terrorisme" nog altijd niet gepakt.
Maar intussen zitten de Amerikanen en hun bondgenoten militair
stevig ingeplant in een strategisch gebied. Dicht bij de
olie en gasvelden van Centraal-Azië, in een land waardoor
een belangrijke pijpleiding moet komen (vanuit Turkmenistan
naar Pakistan en India). En bovendien past die militaire
aanwezigheid perfect in het plan tot containment
(inperking) van Chinas invloed. De bestrijding van
opiumteelt is dan zeker geen prioriteit, zeker niet als
de opiumbaronnen bondgenoten zijn.
De Afghaanse bevolking daarin? Het houden
van de verkiezingen heeft misschien even illusies gewekt,
nu is er de ontnuchtering. En de vrees voor een terugkeer
naar de periode waarin de krijgsheren van vandaag ook al
de lakens uitdeelden, tussen 1992 en 1996. Het was een periode
waarin de bevolking zo zwaar te lijden had, dat velen de
Taliban als bevrijders verwelkomden.
(Bron: Uitpers, nr. 72)
|