|
VOLKSEDITIE VOOR NEDERLAND
|
|
Een verhaaltje voor 't slapen gaan.
Door P. Strijder (24 februari 2001)
|
|
Het zweet breekt me van alle kanten uit. De prikkelende pijn in mijn ogen wordt irritant. Op mijn huid ontstaan kleine rode blaasjes met een wit randje eromheen. Ik heb een barstende hoofdpijn en een kurkdroge keel. Ik smacht naar koel, helder water. Hoewel ik nauwelijks nog op mijn benen kan staan, strompel ik verder door de nacht. Maar waar moet ik naar toe? Waar moet ik in hemelsnaam naar toe? Een grote ovaalvormige wolk schuift langzaam voor de maan. De nacht wordt pikdonker, zwarter dan zwart. In de verte hoor ik sirenes. Maar hoe kan dat? Het geluid wordt langzaam zachter. Ze komen niet dichterbij. Ze gaan steeds verder weg. Zijn ze soms op de vlucht? Net als ik? Ik snak naar adem. Mijn hart klopt in mijn keel. Het is alsof mijn longen samengeperst worden door een onzichtbare hand. Mijn ogen tranen. De blaasjes op mijn huid worden groter. Ze voelen aan als gloeiende kolen. En ik strompel verder en verder. Ik voel dat ik langzaam maar zeker in de bewoonde wereld terecht kom. Een buitenwijk van een middelgrote stad. Door het dikke mistige wolkendek is vaag het schijnsel van een straatlantaarn te zien. Ergens voor me hoor ik een kreet, een schreeuw in de duisternis. Even later gevolgd door een gil en nog meer kreten. Het gejammer wordt steeds luider; alsof ik de poorten van de hel nader. Zouden dit de godsdienstfanaten bedoeld hebben toen zij het einde van de wereld aankondigden? Langs de kant van de weg ontwaar ik een zwarte schaduw. Op de tast probeer ik te ontdekken wat het is. Vol afschuw trek ik mijn handen terug. Het is het stinkende kadaver van een paard. Honderd meter verder stuit ik weer op iets. Dit maal klampt het zich aan mij vast. Het is een kind. Met een hees en fluisterend stemgeluid smeekt ze om hulp. Ik kijk haar twijfelend aan. Wat moet ik doen? Ik heb het nog niet gedacht of ze blaast haar laatste adem uit. Plotseling besef ik dat dit werkelijk een hel op aarde is. De weg voor me ligt bezaaid met stervenden. Een vrouw met uitpuilende ogen en vreselijke brandwonden. Een man rochelt, er komt bloed uit zijn mond. Een jong meisje, dat zich afvraagt waar ze zo ziek van geworden is, zit onder de blaren. Ik probeer eerste hulp te bieden. Maar steeds sneller voel ik de krachten uit mijn lichaam vloeien. Ik probeer mijn lippen te likken. En voel een kleverige, warme vloeistof. Ik besef dat het bloed is. Met een uiterste krachtsinspanning probeer ik bij het dichtstbijzijnde huis te komen. Op zoek naar beschutting, op zoek naar ik weet niet wat. Dan wordt alles nog donkerder en val ik in een eindeloos diep zwart gat. Badend in mijn zweet wordt ik wakker en realiseer me ogenblikkelijk dat dit zou kunnen gebeuren ergens tussen Delfzijl en Rotterdam bij het ontsporen van een chloortransport. Slaap lekker! |