|
IMF en Wereldbank in slechte papieren
door Georges Spriet *
Deze Bretton Woods Instellingen zijn
de machinekamer van de globalisering, wordt wel eens gezegd.
Hun analyses en adviezen zijn dwingende interventies in
de nationale economieën. Vroeger waren het de Structurele
aanpassingsprogramma's, nu de Poverty Reduction Strategy
Papers. Maar de laatste tijd wordt het Fonds niet alleen
ter linkerzijde aangevallen.
Sedert het begin van de jaren 1970
toen de dollar losgekoppeld werd van z'n vaste goudwaarde
(32 dollar per ounce troy aan goud) is het IMF opgeschoven
van een bewaker van het internationaal monetair systeem
naar een cruciale internationale kredietverlener. Maar in
de laatste jaren zijn de leningactiviteiten serieus gedaald,
en is zijn rol in het internationaal monetair systeem duister,
zegt bijvoorbeeld de Gouverneur van de Bank of England.(1)
"Het Fonds moet aangepast worden aan de financiële
omstandigheden van de 21ste eeuw. Zowel de G7 als de G-20
landen hebben voorstellen voor hervorming van het IMF. Bretton
Woods werd uitgedacht na een periode van crisis, oorlog
en economische catastrofe. Vandaag maken we een buitengewone
bloei mee van het internationaal handelssysteem. Afspraken
rond handel en financiën gaan hand in hand. We zullen
het alleen aan ons zelf te wijten hebben als we het IMF
laten verder zwalpen met een reeks zwakke en inhoudsloze
verklaringen." Aldus nog de baas van de Bank of England.
Sir Edward Clay, de voormalige Britse Hoog Commissaris voor
Kenia beschuldigde(2) de Wereldbank dat ze "het varken
van de corruptie voedde".
Volgens Ngaire Woods (University College,
Oxford) lijden de Bretton Woods instellingen aan vier kwalen.
Ten eerste zijn de inkomsten aan het dalen. Het tweede probleem
is dat de voornaamste klanten niet langer geïnteresseerd
zijn om bij hen te lenen. Het derde probleem is dat de voorwaarden
die door IMF en WB gesteld worden hun voornaamste
instrument om de markten open te breken en tevens om hun
inkomstenbronnen veilig te stellen in de praktijk
niet functioneren. Ten vierde, de leden zien hun advies
niet als onpartijdig.
De rijke landen hebben lange tijd deze
instellingen gecontroleerd, niet alleen door hun stemgewicht
(pro rata van oorspronkelijke financiële inbreng),
maar ook door hun sterke greep op het management, de filosofie
en het mandaat. Deze rijke leden vereisten ook steeds meer
'globale openbare goederen' van het Fonds en de Bank, maar
tegelijkertijd verlaagden ze hun eigen bijdrage.
Minder inkomsten
Er wordt gemakkelijk gedacht dat de rijke
landen de financierders zijn van het IMF en de Wereldbank.
Maar het zijn niet de VS of de G7 die vandaag de voornaamste
geldaanbrengers zijn. Dat is reeds in de loop van de jaren
1980 beginnen veranderen, en verschoven naar de arme, krediet
aanvragende landen. Door de kosten voor leningen te verhogen
konden IMF en WB hun reserves en investeringsinkomsten opbouwen,
waardoor de rijke landen 'minder verantwoordelijkheid' kregen.
Deze vroegen dan op hun beurt een groter aantal diensten
aan de instellingen. Op die manier zijn de inkomsten van
IMF en Wereldbank afhankelijk geworden van de leningaanvragers.
Het probleem is dat het inkomen uit hun
investeringen verminderde en dat hun kredietverlening slabakte.
IMF was/is dus afhankelijk geworden van de grote leners.
Echter, tegen 2006 hebben Brazilië, Argentinië
en andere opkomende economieën hun leningen (versneld
en) volledig terugbetaald. In februari 2006 berekende men
dat de betalingen van kosten en intresten aan het IMF in
2006 nog slechts 1,39 miljard dollar zouden bedragen, tegenover
3,19 miljard dollar in 2005. De projectie voor 2009 is nog
maar de helft van dit jaar: 635 miljoen dollar.
Klanten keren zich af
Voor hun ontwikkelingsassistentie en advies
gaan grote kredietaanvragers niet langer naar de Wereldbank,
of naar het IMF voor een monetair en financieel verzekeringspakket.
Volgens eigen cijfers van het IMF zullen Aziatische monetaire
instanties reserves opgebouwd hebben die in 2006 1430 miljard
dollar zullen bereiken, komende van 496,9 miljard dollar
in 2002. Het aanhouden van dergelijke reserves is bijzonder
duur, net zoals de kosten voor leningen bij de financiële
privé banken. Waarom dan toch niet naar IMF en Wereldbank
gaan?
Ngaire Woods stelt dat het IMF door velen
gezien wordt als een instrument van de VS politiek, waarbij
het advies te ideologisch is en te dirigistisch. De overheden
onthielden van het crisisoptreden van het IMF alleen nog
de lange waslijst aan condities die Zuid-Korea werden opgelegd
in 1997. Willen China, Korea of Japan vertrouwen hebben
in deze internationale instellingen zal er veel moeten veranderen.
Ook in Latijns Amerika en Afrika hoort men dezelfde kritiek.
Hier zijn de staten echter minder goed geplaatst om uit
het systeem te stappen, en in de plaats daarvan zoeken ze
hun stem binnen de organisatoren luider te laten klinken.
De aanstelling van de voormalige VS vice-minister
van defensie, Paul Wolfowitz, tot voorzitter van de Wereldbank
heeft de zaak niet vooruit geholpen voor deze instelling.
Een ander geschilpunt blijft draaien rond de bureaucratie
van de organisatie en het gebrek aan flexibiliteit.
Dat betekent dat men in vele landen nu
voor kredietverlening aan gaat kloppen bij de privé
banken, ook al kost dat meer. Er wordt ook meer gewerkt
met regionale overeenkomsten. Voor de armere landen uit
Subsahara Afrika en Centraal Amerika blijven de Wereldbank
en het IMF wel de voornaamste bron voor leningen, en nemen
ze de conditionaliteit erbij. Maar is dit een effectieve
steun voor de globale ontwikkeling of financiële en
monetaire stabiliteit?
Voorwaarden
De laatste 20 jaar werd het systeem van
conditionaliteit verantwoord als de manier om de leningen
van IMF en Wereldbank veilig te stellen, en tevens als de
manier om zieke patiënten (regeringen die een slecht
beleid voeren) de nodige, eventueel onaangename, geneesmiddelen
(voornamelijk het openbreken van de markten) te doen innemen.
Maar dit heeft niet gewerkt, zegt Ngaire Woods. Sommige
patiënten hebben hun medicijn niet genomen, anderen
blijken niet te kunnen herstellen.
Telkens vastgesteld werd dat de voorwaarden
geen resultaat opleverden, heeft men de voorwaarden verscherpt.
Toen de 'stabilisering' niet werkte, ging men over tot structurele
aanpassingsprogramma's, toen dit niet werkte sprak men over
'goed bestuur'. Nog meer voorwaarden (qua participatie en
consultatie) werden opgelegd aan die landen die schuldverlichting
zochten. Nu heeft men het over 'stroomlijnen' of wegnemen
van bepaalde voorwaarden, om het 'ownership' (verantwoordelijkheidszin)
van leners te verhogen. Deze nieuwste ontwikkeling heeft
de bedoeling om de 'voorwaarden' beter aan te passen aan
de specifieke situatie van het land, en om de nationale
overheid een grotere rol op te laten nemen in het formuleren
van de eigen economische strategie. Maar waarachtig lokaal
'ownership' is een brug te ver voor de internationale instellingen:
dit botst met de filosofie en gewoontes van beide. Zoals
de Wereldbank al in 2002 zelf stelde: "dan ontstaat
er een spanning tussen de specifieke benadering per land
en het toepassen van meer algemene en strikte operationele
normen".
Onpartijdig?
Zowel de Wereldbank als het Muntfonds
hebben gedurende lange tijd hun 'waardevolle rol als adviseur'
geafficheerd. Maar niet iedereen lijkt hun adviezen op dezelfde
wijze te waarderen. De meest gehoorde klacht, nog altijd
volgens Ngaire Woods, is dat het personeel van het IMF en
de Wereldbank zelf geen beleidservaring heeft. Met een doctoraat
in economie of financiën is men niet per se goed uitgerust
om vlot te functioneren in de troebele en complexe wereld
van het politiek systeem waarin ze werken. Zij zien democratische
processen als een obstakel voor gezond economisch beleid.
Zoals recent de Managing Director van het IMF verklaarde
in zijn 'halflangetermijnstrategie': "verandering wordt
door de politiek tegen gehouden". Hieruit spreekt de
frustratie van een econoom tegenover de luidruchtige onvoorspelbare
partijpolitiek. Maar de rest van de wereld wordt daardoor
versterkt in hun idee dat IMF en WB goed overeenkomen met
autoritaire regimes. Die uitspraak houdt ook geen rekening
met het feit dat hun adviezen zelf geïnfecteerd zijn
met een goede dosis 'politiek'.
Het eerste ondersteuningskrediet dat Zuid-Korea
van het IMF kreeg in 1997 was duidelijk aangepast aan voorwaarden
die door de Verenigde Staten waren bepaald. In de loop van
de jaren 1990 werd Rusland door de G7 geduwd om leningen
bij de Wereldbank op te nemen die nooit werden gebruikt,
maar waarvoor Rusland wel kosten moest betalen. Anderzijds
werd het IMF aangepord om niet te kijken naar de slechte
resultaten. Wereldbankprojecten zijn soms stiekem geboetseerd
door voorafgaande contractafspraken tussen grote ondernemingen,
gedekt door machtige regeringen en kredietverleners.
Ook technische cijfergegevens ontsnappen
niet aan politieke beoordeling. Groeidoelstellingen en projecties
van programma's ondergaan subtiele manipulaties die nodig
zijn om de cijfers te laten 'werken' bij het aanvaarden
van kredietaanvragen. Bij de schuldverlichting van de 'arme
landen met hoge schuldenlast' (HIPC)(3) werden projecties
over macro-economische groei, inning van taksen, en budgetten
herwerkt zodat de duurzaamheidfactoren en de criteria van
de Millenniumdoelstellingen overeenkwamen met wat donors
bereid waren te financieren.
De basislijn van IMF en Wereldbank draait
rond aanpassingen in het land dat de lening aanvraagt, en
zeker niet om het aanpassen van de internationale omstandigheden
die het probleem veroorzaakten. Zo wordt elk land aangemaand
beter te gaan presteren qua exportgoederen, maar nooit werd
een degelijke analyse gemaakt van de gevolgen dat iedere
exporteur meer producten op de internationale markt brengt
(en dus de wereldprijs van het exportgoed doet zakken).
Het is duidelijk dat in de omstandigheden de Bank en het
Fonds meer middelen hebben om de nationale overheid te bespelen
dan dat ze die hebben om het internationale systeem te veranderen.
Maar anderzijds zijn beide toch ook als enige goed geplaatst
om de internationale aspecten van problemen aan te pakken.
De roep naar hervorming komt nu van de rijke landen. Zij
hebben immers het IMF en de Wereldbank nodig om de financieswereld
te globaliseren, om crisissen te managen, om nieuwe markten
te helpen openbreken, en om een minimum aan globale coördinatie
te bieden. Maar kennelijk staan ze voor een tweesprong.
Ofwel gaan ze zelf meer moeten betalen voor deze instellingen.
Ofwel zullen ze de zaken aantrekkelijker moeten maken voor
kredietaanvragers. Volgens Ngaire Woods moet er meer gekeken
en geluisterd worden naar de aanvragers, beide instellingen
moeten bijdragen tot het debat in plaats van het debat te
monopoliseren, de leners zouden echt betrokken moeten worden
in de beslissingen, en de aandacht zou moeten gaan naar
de unieke rol en plaats van elk land.
Reacties(4)
De lentemeeting 2006 van IMF en Wereldbank
in Washington ging gepaard met veel kritiek tijdens een
parallelle strategieconferentie in het Institute for Policy
Studies. In de NGO wereld (met o.m. Center for Global Development,
de voormalige campagne '50 jaar is genoeg', Jubilee South)
wordt de anti-corruptiecampagne van IMF voorzitter Paul
Wolfowitz afgedaan als een opsmukoperatie. Bovendien heerst
er heel wat scepticisme over het plan om het stemgewicht
van grote ontwikkelingslanden als China en Brazilië
te verhogen. Zo ook wat betreft het voorstel om meer arme
landen toe te voegen aan de lijst van de arme-landen-met-hoge-schulden.
Dit laatste wordt gezien als een hopeloze poging om de leegloop
van kredietvragers tegen te gaan.
Grote NGO's die in de jaren '90 vooral
pleitten voor interne hervormingen van beide instellingen
zijn nu veel kritischer. "De bank moet haar macht ontnomen
worden", heet het nu. In plaats van voorwaarden te
stellen aan het optreden van IMF en Wereldbank om de negatieve
gevolgen ervan af te weren, moet er geopteerd worden om
de kwetsbaarste operaties of afdelingen van de twee instellingen
te onderkennen, en globale campagnes opzetten om deze te
stoppen of te sluiten. Het uiteindelijke strategische doel
is beide radicaal te verzwakken en hun invloed echt te kortwieken.
Op korte termijn lanceren de NGO's twee
campagnes. Een is een massamobilisatie bij de Herfstvergadering
van Wereldbank en IMF in Singapore, de derde week van september
2006. Gelijktijdig komt er een internationale conferentie
"Alternatives to the World Bank and the IMF".
Besluit
De internationale financiële instellingen
konden het verlies aan legitimiteit sedert de Aziatische
crisis van 1997 niet te boven komen. Thailand, de Filippijnen,
China en India waren niet langer geneigd nog bij hen te
gaan lenen, omwille van de desastreuze gevolgen van de IMF
programma's. Daarbij hebben zich dan verschillende Latijns
Amerikaanse gevoegd, met Brazilië en Argentinië
op kop, die hun schulden volledig afbetaalden precies om
onafhankelijk te kunnen zijn.
De crisis bij beide instellingen is er
alleen maar door versterkt, omdat ze afhankelijk zijn geworden
van de betalingen vanwege hun schuldenaren. In NGO kringen
grijpt men deze crisis aan om ze radicaal in vraag te stellen.
* (Uitpers, nr. 77, 7de jg., juli-augustus
2006)
Noten:
(1) Mervyn King,
Governor of the Bank of England. Speech in New Dehli, Inda,
20 Februari 2006
(2) Ngaire Woods,
Center for Global Development Brief "The globalisers
in search of a future", www.cgdev.org
(3) HIPC, Highly
indebted poor countries
(4) Walden Bello, Afterthougths: Critics
plan offensive as IMF-World Bank crisis deepens. Www.globalpolicy.org
|