|
Bijna 40 landen onrustig door voedselcrisis
NEW YORK/BRUSSEL, 15 april 2008 - Na
de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF)
slaan ook de Verenigde Naties (VN) alarm: volgens de Voedsel-
en Landbouworganisatie van de VN (FAO) is er in 37 landen
sprake van een voedselcrisis.
De stijgende voedselprijzen hebben recent
al tot betogingen en/of rellen geleid in Egypte, Kameroen
(met een honderdtal doden), Burkina Faso, de Filippijnen
en Haïti, terwijl er ook onrust was in Mexico, Indonesië,
Ivoorkust, Mauritanië, Mozambique en Senegal.
Maar de VN noemen nog een hele reeks andere
landen. De FAO somt eerst en vooral zes landen op met uitzonderlijke
tekorten in de voedselproductie en voorraden: Irak,
Zimbabwe, Somalië, Moldavië, Swaziland en Lesotho.
In nog eens zes landen hebben veel mensen onvoldoende toegang
tot voedsel: Eritrea, Liberia, Mauritanië, Sierra Leone,
Afghanistan en Noord-Korea.
Uiteindelijk maakt het duurdere eten bijna
veertig landen instabiel, allemaal landen waar meer dan
de helft van het gezinsinkomen opgaat aan eten. Daartussen
zitten ook grote landen als Pakistan, Indonesië en
Egypte, en Noord-Afrikaanse landen waar de onvrede islamistische
bewegingen kan versterken.
Waaier van oorzaken
De oorzaak van de onrust is een scherpe
stijging van de prijs van tarwe, rijst, sorghum, maïs
en soja, de belangrijkste voedingsmiddelen van een groot
deel van de wereldbevolking. Grote groeilanden als China
en India verbruiken steeds meer van die gewassen, terwijl
maïs en soja ook massaal gebruikt worden voor de productie
van biobrandstoffen. Daarnaast is het transport duurder
geworden omdat de brandstofprijzen stijgen, terwijl ook
kunstmest meer is gaan kosten. Het lijkt er ook op dat door
de klimaatverandering meer oogsten mislukken.
Anuradha Mittal, de directeur van het
in voedselvraagstukken gespecialiseerde Oakland
Institute in San Fransisco, zegt dat ook de liberalisering
van de landbouw en de specialisatie van ontwikkelingslanden
in opbrengstgewassen als koffie, cacao, katoen en bloemen
fatale gevolgen hebben voor de voedselzekerheid. Dat beleid
werd aangemoedigd door de VS, de Europese Unie en de Wereldbank.
Tegelijk liepen de investeringen in en de ontwikkelingshulp
voor de landbouwsector terug. Ontwikkelingslanden zijn daardoor
netto-importeurs van voedsel geworden. De ontwikkelingslanden
voerden in de jaren zeventig van de vorige eeuw netto nog
voor 1 miljard euro meer voedsel uit dan in. In 2001 keken
ze aan tegen een deficit van 11 miljard dollar.
Antwoorden
Relatief rijke ontwikkelingslanden kunnen
wat ondernemen tegen de onrust die de stijgende voedselprijzen
met zich meebrengen. In Mexico trokken begin vorig jaar
al betogers door de straten omdat de uit maïsmeel gemaakte
tortillas duurder werden. De regering besloot de maïsprijzen
nog meer te subsidiëren dan voordien al het geval was.
Maar armere landen zijn voor dergelijke maatregelen aangewezen
op hulp van buitenaf.
VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon heeft
de donorlanden al opgeroepen dringend meer hulp te leveren
aan Haïti. Daar hebben voedselrellen vorige week aan
vier mensen het leven gekost. De Wereldbank trekt tien miljoen
dollar noodhulp uit voor het armste land van het westelijk
halfrond.
Volgens Mittal van het Oakland
Institute is er veel meer
nodig dan noodhulp. In de eerste plaats moet er overal een
sociaal veiligheidsnet komen, en er zijn openbare distributiesystemen
nodig om hongersnoden te voorkomen. De armste landen hebben
daarvoor de hulp van donorlanden nodig. Daarnaast zouden
ontwikkelingslanden en donorlanden meer moeten inzetten
op de productie en consumptie van lokale gewassen door duurzame
landbouwbedrijven. Landen moeten ook een beter prijs- en
voorraadbeleid gaan voeren. (IPS)
|